T T

1940-1945

Publicatiedatum 14-06-2017

Toen de oorlog begon, zag niemand het aankomen. Maar in de Oudenboschse haven lag een bootje, ’n ding van niks, en er woonden een keurige man en vrouw op. Hij deed volgens zeggen in missaals en kerkboeken of zo. Maar hij kwam goed over en voor de dag. Tegen de meidagen ging hij verliggen naar de Schans. Daar lagen nog zo’n paar bootjes en ook daar maakte hij vrienden. Zo ook met de soldaten die de brug ondermijnd hadden voor als er een oorlog uitbrak. Hij praatte die soldaten angst aan en stuurde ze weg. Hij zou alles zelf goed regelen en ontdeed de brug van springstof. De bruggen van Oud-Gastelveer, Stamspersgat en Zwartenberg vlogen de lucht in, behalve die brug van Standaardbuiten-Oudenbosch, want die hadden de Duitsers nodig. De man was een spion.

Franse soldaten waren er veel en overal, maar ze sloegen op de vlucht voor de overmacht van de Duitsers. Ze lieten nog een motor staan van ’t merk Hone-Rhone met aandrijving op het wiel van het zijspan. Toen het Duitse leger binnentrok, was dat letterlijk gezegd alles paarden en nog eens paarden. Bij de binnenkomst van de geallieerden kende men dat totaal niet. Het waren bange dagen. Ook wij vluchtten, steeds met ‘hoe en wat’ in onze gedachten. Er werd gezegd: die Duitsers maken iedereen van kant, de katholieken voorop. Ze vergiftigen de waterleiding en moorden iedereen uit. Je leest die verhalen ook nu weer in de krant. Toen ze eenmaal binnen waren, werd het rustig en leken die mannen mee te vallen. En zondags zaten de laatste banken in de kerk vol met Duitsers. Wat opviel: ze leken veel op de Nederlandse soldaten. Maar die mannen hadden altijd een bajonet aan hun koppel. En je kon ze zo ietwat volgen met uitleg of praten. En alles ging z’n gangetje. Het bombardement op Roosendaal was niet mis. Maar nadien was het ook weer raak met de geallieerden op de melkfabriek en het station in Roosendaal.

In die oorlogsjaren was ik wel bang dat het paard gevorderd zou worden, maar dat liep goed af. Ik moest rijden voor de weermacht: hout en zand voor de loopgraven halen. Ik reed naar Roosendaal, naar de Markt, waar nadien de belasting zat. Daar zat de Ortskommandantur. Ik zei tegen de juffrouw van dienst op het kantoor dat ik aardappelen naar het station in Oudenbosch reed. Toen kwam er een Duitser in vol tenue. Hij gaf me een bewijs dat ik weer particulier aardappels kon gaan rijden voor de handel. Ik hoefde niet meer voor de weermacht te rijden.

Ik werd ook opgeroepen voor de Duitse arbeidsdienst inzet. Gelukkig kreeg ik steeds uitstel, waarom weet ik niet. Alles werd schaars: levensmiddelen, koffie, thee, tabak. Alles werd surrogaat: Boord, vlees, vis. Alles werd gerantsoeneerd. Kleding was er niet of van slechte kwaliteit. Het was behelpen, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje.

Je had ook de geallieerde jachtvliegtuigen, die op alles schoten. De angst zat er goed in als je met paard en wagen onderweg was. Je wist niet waar je het moest zoeken van de angst. En dan de avondklok, de bewakers en de sicherheitspolitie. En wat te denken van de Nederlandse CCD, de Crisis Controle Dienst? Die deden hun best als iemand bijvoorbeeld een fles melk bij een boer haalde. Je was er gegarandeerd bij. Zo ook als er een varken werd geslacht. Dan vroegen die Nederlandse controleurs: Wat weegt het en Hoe groot is het gezin? Als we zondagavond met de trein naar Roosendaal reden, zagen we altijd Duitse politie met zo’n schildje op hun borst. We waren een braaf volkje. Wee degene die de fout inging. Je draaide het kamp in! Of je kon dienst nemen bij de weermacht.

Ook staan me die V1 en V2 nog helder voor ogen, dat was moordtuig. En wat te denken van die aanval op en rond Arnhem? Vliegtuigen, een complete zwerm en die hadden allemaal een vliegtuig zonder motoren op sleeptouw. Geladen met soldaten, jeeps, geweren en ander militair materiaal. Het was een sterk leger. Men sprak ook van verraad. Maar de Duitsers hadden er schijnbaar toch veel moeite mee ze te verslaan. Met grote verliezen aan beide zijden. Toen de invasie aan de Noordzee bij Belgie en Frankrijk kwam, was het een oorlog die overal ellende meebracht. De Duitsers waren totaal uit hun evenwicht. Ze vertrouwden niets en niemand en sloegen driftig om zich heen.

En dan de gewraakte treinstaking boven de rivieren, die een hongersnood veroorzaakte. Aardappels en suikerbieten waren er wel, maar er was geen vervoer. Het gevolg was veel ellende en een veelvoud van doden, veroorzaakt door radio Oranje, maar ze zijn er later nooit op teruggekomen. Toen de Duitsers zich chaotisch terugtrokken naar Belgie, pakten ze alles wat ze konden gebruiken om zich uit de voeten te maken: fietsen, paarden en alle nog overgebleven spullen. Een wat oudere Duitser zei: We komen zuruck met ‘t neue waffe. Hij was timmerman.

Een paar Duitsers zaagde aan de overzijde langs de dijk populieren van vijftig jaar oud in. Ze hakten een kerf en daarin hingen ze een gordel met springlading. Zo gingen er honderdvijftig bomen tegen de vlakte. Daarvoor kwam er eerst een vrachtauto aanrijden met springstof en mijnen. Ik zag dat gesjouw met angst en beven aan en probeerde het leggen van de mijnen te volgen. Helaas, lukte dat niet precies. Je moest je ook verscholen houden. In de wei staken ze een zode uit, groeven een gat en gooiden de grond in de haven. Mijn erin, zode erover en klaar. Je zag ze niets meer. Ik wist ze zowat allemaal te liggen, maar voor het huis miste ik er een aantal. In de wei was het zo als de zode erop gelegd was. Je zag de afsteekkanten, dat was nooit. Voor het huis was het moeilijker te zien. Daarnaast werd het volgen en het uit het zicht blijven van die mannen ook moeilijker. Voor ’t Gemaal lagen nog een paar mijnen onder de later gevelde bomen. Gelukkig zijn er geen ongevallen mee gebeurd.

Op het erf lag een vierkant kistje. Vaak dacht ik er maar kachelhout van te maken. Totdat iemand zei dat het ook een tankmijn was. Zo’n mijn reageert niet op een mijndetector. Er lag er één voor en één naast het huis ingegraven. Toen de Britten, of wie het ook waren, deze kant op kwamen, ben ik er heengelopen. Met mijn handen omhoog riep ik “Mijnen, mijnen”. Er was een bekende van mij bij. Een Oudenboschenaar, meneer Key. Hij was leraar Engels en hij sprak met die soldaten en ze gingen terug. De andere dag kwamen ze met jeeps, vrachtauto’s en motoren terug die wij nog nooit hadden gezien en maakten het wegdek vrij. Steeds laadden ze een wagen vol met hout. Die mannen hadden toen al liefjes gemaakt. Eerst dacht je dat het zo moest. Maar meneer Key had het door en maakte daar een eind aan.

Zo vroeg Rinus Vromans of ik meeging naar de opgeblazen brug en hoe het er daarbij stond aan de Schans. Daar was niet veel fraais aan dan wat ellende. Daar lag een broek met een onderlichaam en daar een jas met een bovenlichaam. Toen wij teruggingen, keken we in de lopen en ogen van de geallieerde militairen die voor ons wegdoken. De dagen daarop zat het vol met geallieerde militairen bij ons.

Met het roeibootje van de schipper van Eiben Haezer die een veilige ligplaats had, zette ik soldaten over die naar een voorgeschoven post moesten in het Oudland bij de Mark. Link was het wel. Zo ging ik ook wegens gebrek aan een fiets met dat bootje melken in de Loos aan de overzijde van de haven. Toen Terloo, die ondergedoken was onder de kerk zoals velen, vroeg om mee over te varen naar zijn woning, sloeg een granaat voor ons in het water van de haven. Het laat te raden als die op de wal was ingeslagen. Janus met zijn beste kleding aan ging van schrik in het bootje liggen met 10 tot 15 cm water erin. Nadien was het lachen.

Zo liep ik in de wei en richtte, volgens Bart Wekkers, een geallieerde soldaat het geweer op mij. Hij dacht dat ik een Duitser was. Inderdaad, er gebeurde rare dingen. Je kon het niet overzien. Zo ook dat naar de brug gaan in de frontlinie. Ik vroeg nadien aan Rinus Vromans of er nog navraag is gedaan. Welnee, met veel moeite kreeg ik het gemeld bij de verantwoordelijken. Maar het was wel bekend. Jammer, dat ik het verhaal 15 jaar later niet doorgegeven heb aan het militair gezag. Dan hadden we nog een oorlogverzetsspeldje gehad of zo iets. Er waren er wel die voor minder waren erkend. En dan had ik nog een krant van 10 jaar na de oorlog van een flinke boerenjongen die de soldaten van een ramp had gered. Zo’n medaille was wel leuk geweest, maar de wijsheid ‘Bemoei er niet mee’ is groter.

Het paard dat zogenaamd ondergedoken was, want de Duitsers konden alles gebruiken om terug te trekken, kwam doof terug. Dit kwam door het kanongebulder in Sint Maartenpolder. Toen na de Mei-dagen in 1940 de rust was weergekeerd had het hele volk er vrede mee. De ellende en gruwel van de crisis had diepe wonden en ellende veroorzaakt. Men dacht: alles toch beter is, dan wat we achter ons hebben. Een veel gesproken gezegde was ‘Het kan zo niet langer’, maar dit besefte niemand.
En het koningshuis en de regering in Londen daar had je weer wat niks aan. En toen weer die ophitsende taal via Radio Oranje. Want let wel in die jaren van werkeloosheid, had men ook geen vakantiegeld. Hooguit een fiets met een plaatje van de belasting aan het stuur. Men zat onderweg in de berm of greppel met het gezicht naar straat Bevoorrecht waar een kleine groep een rijksbetrekking hadden, zoals politie, douanepost of spoorbeambte of zoiets.
Maar er kwamen toen wel nieuwe regels. De socialistische regel en gedachte die vroeger waren weggestemd. Zo werden de boeren agragiërs. De arbeiders werden werknemers en de bazen werkgevers. En men kreeg vakantiebonnen die nadien weer werden omgeruild voor spullen, maar niet voor vakantie. In de vrije tijd ging men wat bijwerken. Men was er nog lang niet om echt op vakantie te gaan. Nog jaren en jaren niet. Maar de regering in Londen zal wel ruggenspraak hebben gehad met de geallieerden of niet.
Hier kon men niet om de Duitsers heen. Of je het er mee eens was of niet. Zo kwamen er ook pensioenskassen. Men kende hier toen al mensen die vanuit vroeger pensioen trokken uit Duitsland, omdat zij daar gewerkt hadden. Het ging om enkele guldens, maar die waren toch mooi meegepakt. En men noemde dat keiharde guldens. Degenen die hier in (semi-)overheidsdienst werkten, mochten niet bijwerken. Dat kwam pas veel later. Het had misschien te maken met werkverdeling.

Om terug te komen op de bezetting, die mannen gedroegen zich als koorknapen. Er heerste daar een ijzeren discipline. Als er in een café werd gedanst, was dat op grammofoonmuziek. Radio’s moesten en waren ingeleverd. Nederlandse meisjes vonden sommige Duitsers leuk. Het werd dan algauw aangebracht. Men zag dat ook in het Nederlandse koningshuis. Dat werd aangebracht door Nederlandse Oranjefanaten die ze dat misgunden of jaloers waren. Maar ook de socialistische NSB’ers mochten het niet volgens Duits bevel. Zo zie je dat de een niet beter is dan de ander. Als de Duitse politie ze betrapte, kwam erop de voordeur van dat café naast het biljet van Verboden voor Joden een bord ‘voor weermacht verboden’. Het schijnt dat het niet mocht als eerbied voor de frontsoldaten.

Dat was bij de geallieerden wel anders. Op amper een paar kilometer verder vielen geallieerden, Duitsers en burgerbevolking met velen tegelijk. Maar het feesten werd zelfs aangemoedigd om zoveel mogelijk meisjes op de vloer te krijgen. Meisjes die bevriend waren geweest met Duitsers deelden niet mee in die pret en werden kaal geknipt door zogenaamde ‘goede’ Oranjefanaten. Niemand verzette zich hier tegen. De ellende die gezaaid was, werd ook nu hier weer voortgezet. Er werden er wat neergeknald. Je hoefde maar schoenlapper, groenteboer of niks te zijn. Als je zei “voor mijn part blijven die Duitsers, maar de rest is ook niks”, dan zat je al op een oude suikerfabriek Sint Antoin dienst te doen als strafgevangenis. Je werd gestraft, als je heulde met de vijand. En dat droegen die mensen zelfs hun kinderen mee. Dat is in de wereld zo. Je hebt bijvoorbeeld 50 geloven en ieder heeft het alleenzaligmakende. De rest is surrogaat. En de koningin ziet men als iemand met een aureool om het hoofd door goed en kwaad.

Maar om terug te komen op 1940. Alles was wel mooi in de war gestuurd. Er kwam ook geen schip meer binnen met koloniale waren, olie of dergelijke. Alles was in korte tijd op. Duitsers liepen alles onder de voet. Nederland, België, Frankrijk, Brittannië kregen maar niks. Het duurde en het bleef duren. En alles ging op de bon, letterlijk alles. Maar toen moest het ergste nog komen. Want toen was alles op de bon was van koffie, thee, brood, vis, melk, tabak, zoetwaren, suiker enz. De prijzen stegen naar een recordhoogte en alles werd surrogaat. En of je het er mee eens was of niet. Men zag die Duitsers nog liever vandaag vertrekken dan morgen. Wie van de zwarte handel van bonnen leefde, stond met één been in de gevangenis.

s’Nachts met de angst van Duitse, vliegende vliegtuigen naar Groot-Brittanie. Dat waren toen nog van die propellervliegtuigen. Later ook V1-en V2-vliegtuigen zonder piloot. Moordtuig.

En de mensen maakten elkaar van alles wijs. Dat is er trouwens niet beter op geworden. Nou was erin die veertiger jaren een vrachtauto van C. Rombouts uit Bergen op Zoom. Vroeger ging alle vervoer via Oud-Gastel, Oudenbosch, Standaardbuiten, Moerdijkbrug naar Roosendaal. De auto van Rombouts met gasgenerator en aanhang komt vanuit West-Vaardijk en draait naar Oud-Gastel. Vanuit Oudenbosch komt daar de Ortskommandant met zijn hond aan de lijn op de linkerkant van de weg aangefietst. De hond ziet wat bewegen, maakt een duik. De Orts komt onder de auto terecht en is morsdood. Wie je ook sprak die combinatie is door de broeders weggezet en de chauffeur is gevangengezet, gemarteld en geslagen. Ik was toen ongeveer 20 jaar oud. Je zag niks, maar je geloofde het. En het Broedersinstituut was een gesloten bolwerk. Daar kwam je zomaar niet in. Dus je geloofde zulke praat of halve waarheid.
Later ben ik bij de Nederlandse Spoorwegen gaan werken, dus heel veel later. Ik dacht zo wat tegen mijn zestigste, wanneer ik met pensioen ga. En staat daar op het perron een man op de trein te wachten. Ik dacht een Bergenaar. Ik zeg: “Jij bent zeker ook al met pensioen”. “Ja”, zei hij. Het was de chauffeur van de vrachtauto. Ik dacht, dat ik ook eens wat zal vertellen. “Ja”, zeg ik, “het is weer even geleden in de oorlog om wat duidelijk te zijn. Een auto van C. Rombouts had een ongeluk, maar dat bedrijf is verkast naar Schiedam.” Hij zegt: “Dat klopt, die chauffeur ben ik.” En zodoende vertelde ik wat ik toen had horen zeggen. Maar hij zei niks ervan. Een Duitser heeft de auto naar Bergen op Zoom gereden en hij moest door de zenuwen met een ander meerijden. Maar Cees Rombouts had wel gezegd, dat hij mazzel had gehad want ze hebben een hekel aan die man gehad. En dat klopt ook wel. Maar ja, het blijft natuurlijk een proces. En hij reed aan de verkeerde kant met zijn hond aan de lijn. Of je dan Ortskommadant bent of niet. Zo waren er nog wel duizend praatjes.

Nog iets na de oorlog was er het oorlogstribunaal. Wie fout was, werd daar veroordeeld. Zo stond er een boertje voor het tribunaal. Hij had een eenspansmaaltijd aan een Duitser gegeven. Toen wist ik nog niet wat dat was. Maar dat is een bord pap of prakaardappels. Het is geen praatje, dat stond na de oorlog in de krant als uitspraak van het tribunaal .

Oorlog is een sport. Wie wint is favoriet en steeds zijn er twee kampen. Een bombardement op Roosendaal is schande, maar atoombommen op Hiroshima en Nagasaki is duizenden malen erger. Een voltreffer voor de overwinning. De Duitsers waren voorzichtig met hun mannen. Ze konden ze niet missen. Ze hadden een loon een leerden een vak. Maar hier was men des duivels en toch gingen die mannen terug na enkele jaren als bankwerker, plaatwerker, lasser enz.

Het was jaren later toen iedereen naar Oost-Indië (Indonesië) moest vanaf een vastgesteld geboortejaren in de naam van Koningin en Vaderland. Men twijfelde wel of het niet was voor het grootkapitaal of zo iets. Het waren mannen die een uniform en een geweer in de hand kregen en dat waren dan soldaten. Ze waren weken onderweg op vrachtboten naar Oost-Indië voor 35 cent per dag.
Na het vertrek van de Japanners was Oost-Indië bezet door Amerikanen. Die zagen er vermoedelijk ook geen heil in, dus toen werd naar het weer van Nederland. Maar wat nu? Men spoorde de Nederlanders massaal aan te emigreren. Ik denk dat het vanwege de val van Oost-Indië was. Met vele mooie praterij van “Ga, daar is het allemaal beter". Zo ging je toen met je laatste centen naar de rederij en weg was je. Teruggaan bestond niet. Ik denk, dat de Nederlandse regering in hun maag zat met het verlies van Oost-Indie. Het is als een heer die zijn land kwijt is en dan maar iets gezegd om van zijn personeel af te zijn en te komen.
De kranten stonden er vol van: hogere lonen, betere en goede sociale voorzieningen. Iedereen wou wel weg naar het land van belofte. Het was of er soms dorpen leegliepen de weelde tegemoet. Maar volgens mij liet zich dat maar te raden. Soms lukte iemand met een goede erfenis van thuis om iets te bereiken. Toen kwamen ze terug met grote verliezen en de Koningin had nog gezegd om niet alles opmaken, zodat je dan nog wat overhebt. Buiten vader en moeder had niemand voor iets gezorgd, maar de blijdschap was groot voor hen en de familie als ze weer terug waren van de jaren van ellende en ontberingen.

Het was een rommeltje op de wereld. Zo zaten de Fransen hun kolonie te verdedigen in Vietnam. Na zware verliezen moesten ze opkrassen. Maar de Amerikanen namen Vietnam over. Ze zaten daar met meer dan een half miljoen soldaten op hun dood te wachten. Het hield niet op. Tenslotte was ook die kolonie vrij, maar toen was heel het land platgebrand en uitgeroeid.
Toch gaan mijn gedachte steeds terug. De Duitsers en Japanners hebben de koloniserende landen zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland de kop ingedrukt met de koloniën. Ze hebben de oorlog verloren en toch hebben ze ook weer gewonnen.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie