T T

Ziekenhuis Charitas misdienaar 1948

Publicatiedatum 29-08-2017

Toen ik acht jaar werd, mocht ik misdienaar worden bij de zusters Franciscanessen in het Ziekenhuis Charitas Kalsdonksestraat te Roosendaal. Er was aan het ziekenhuis een kapel verbonden waar de congregatie iedere dag hun gebeden konden houden en de Heilige Mis bezoeken. En ook mensen die in het ziekenhuis verpleegd werden konden de missen volgen. In mijn tijd als misdienaar woonden er 120 zusters. Verder had het ziekenhuis ruim 240 bedden voor patiënten. Maar ook een afdeling voor 150 bejaarden, verdeeld over mannen en vrouwen. Dan nog de nodige medewerkers voor onderhoud van de gebouwen, machines, tuin en  hulpen voor de keuken en wasserij etc. Dus voor mijn vader, als medeleverancier van vlees en vleeswaren aan het klooster en ziekenhuis, een goede reden om mij onder te brengen bij de groep van ca.15 misdienaars.

Mijn vader en moeder hadden een slagerij op de Gastelseweg in Roosendaal. Vader vond het nodig, ik moest er ook maar wat voor over hebben, zo stelde hij vast. Zeker, het was ook een goede klant en er zaten ook voordelen aan om misdienaar te zijn. De voordelen van een misdienaar zijn waren de fooien. Wanneer er iemand begraven werd, wat nogal eens voorkwam in het ziekenhuis, was het de gewoonte van de familie van de overledene om de misdienaars te belonen. Het gebeurde wel dat we een gulden of rijksdaalder kregen van de familie. Dat was toch mooi meegenomen in die tijd, enkele jaren na de oorlog. En vrijaf van school om de mis te dienen bij een begrafenis werd ook als een beloning beschouwd. En vrij vragen van school daar zorgde kosteres zuster Theresiana voor. Ze schreef op een briefje, dat ze in een dicht geplakte enveloppe deed, een geldige reden tot verzuim. Dat moesten we dan bij onze schoolmeester inleveren, waarna goedkeuring volgde.              

Bij mijn aanmelding kreeg ik van kosteres zuster Theresiana een witte superplie en zwarte toog welke voorzien waren van een nummer. Dat nummer moest ik goed onthouden, want anders zou het een rommeltje worden, zo sprak ze gebiedend. De toog was iets te lang, maar dat was geen probleem, daar wist ze wel raad mee. Ze knoopte een koord rond mijn middel, trok dit strak aan en het was opgelost.

In mijn eerste optreden als misdienaar moest ik achter twee dienaars gaan zitten en goed kijken naar hun handelingen. Ik merkte wel dat diegenen, van wie ik het voorbeeld zou moeten volgen, ook niet altijd goed voldeden aan de wensen van de priester. De priester keek af en toe eens chagrijnig om en kuchte en met driftige gebaren liet hij merken dat er iets niet goed ging. En dat alles dikwijls in de vroege ochtend, de dag moest nog beginnen. Vooral de blinkende koperen consecratiebellen, het leek wel goud, trokken mij aan. En het smeulende, heerlijk ruikende wierookvat dat de geur door de Kapel verspreidde. Ik denk nog aan de wijwaterkwast, die extra nat gemaakt werd tijdens de zegening in een Plechtige Hoogmis met Drie Heren. Diegenen die op de eerste rijen zaten in de Kapel werden goed bedacht met het gewijde water. In de Plechtige Heilige Mis met Drie Heren, Pastoor en twee kapelaans, waren we met vier misdienaars.

Wanneer Rector Adriaansen van het ziekenhuis de mis deed, bleef er altijd wel een restje wijn over in de ampul. Het water werd weggegooid, maar het restje wijn werd broederlijk verdeeld. Dit mocht onze kosteres niet zien natuurlijk. Na de Heilige Mis mochten we in de keuken ontbijten. Wanneer er wat tijd over was, na ontbijt en vroegmis, gingen we op strooptocht door de gangen van het ziekenhuis en het klooster. Iedere zuster of wie dan ook kende ons als misdienaar. We zijn zelfs ooit tot in het Slot terecht gekomen. Het Slot was het streng afgesloten gedeelte van de buitenwereld, waar alleen de nonnen mochten komen en verblijven. En zeker geen mannen of jongens! Logisch dat we dat spannend vonden. Er was altijd wel een plaatsje te vinden waar we ons konden verstoppen.

Ik kreeg een boekje, Handleiding voor Misdienaars, waarin de kerkgebeden stonden. We moesten de gebeden leren van Latijn naar Nederlands, en andersom. Regelmatig werden we overhoord .Vrij vlug lukte het mij om te voldoen aan de wensen van de kosteres. En volgens haar deed ik goed mijn best! En dat voor een kind van Kalsdonk dat tot de baldadigste jeugd van Roosendaal behoorde! Maar wat hield het eigenlijk in, die baldadigheid? Voetballen, straatspelletjes, speels vechten met jongens uit een andere buurt, vliegeren, bokspringen, knikkeren, hardlopen, boompje klimmen, belletje trekken, ruiten tikkertje, fruit bogeren, enz. Teveel eigenlijk om op te noemen, we verveelden ons nooit! Ook heb ik nooit geweten of gemerkt dat we ’’anders’’ waren dan de andere jeugd van Roosendaal. Maar dat beschouw ik verder maar als een geintje.

Ook mijn twee broers werden aangemoedigd om opgeleid te worden tot misdienaars. Zodat op zeker moment drie leden van de familie Sep misdienaar waren in Charitas. Die uitbreiding deed onze kosteres goed. Tot mijn ruim twaalfde jaar heb ik het volgehouden om misdienaar te zijn, tot acoliet heb ik het nooit kunnen brengen. Het was in de periode dat paters van de orde der Redemptoristen kwamen prediken in alle kerken van onze stad. Zij werkten als missionaris in diverse missielanden. En die preken waren lang niet mals, het leek soms wel of er nooit geen eind aan kwam, zo lang kon een preek duren. De pater had het dan vol vuur over de Hemel en het Vagevuur. In het ergste geval konden we ook nog in de Hel terecht komen. Nou, dat zag er helemaal niet goed uit en ik probeerde me dat enigszins voor te stellen. De Hemel leek me wel de beste plek om naar toe te gaan. Heidense gedachten moesten uitgebannen worden, zo vertelde hij. Het Laatste Oordeel was ook een geliefd onderwerp in de preek om de gelovigen aan te sporen het roomse leven te koesteren. Het Laatste Oordeel ging dan over het vergaan van de Wereld. Maar op de vraag wanneer en hoe, daar kon de pater ook geen antwoord op geven! 

Zo waren ook de paters naar onze parochiekerk van de Heilig Hartkerk getogen om het geloof te versterken. En ze probeerden met preken en biechten de parochianen nog roomser te maken dan ze al waren. Omdat we wel eens uitgewisseld werden als misdienaar, om te vervangen in een andere kerk, kwam ik ook in het vizier van zo’n missiepater. Ik kreeg al meteen een paar boeken mee naar huis om ze eens ’’door te nemen’’. Ja, de pater probeerde op alle mogelijke manieren het geloof te verheerlijken en mij enthousiast te maken.

Ook zorgden ze ervoor dat er jongens naar het seminarie gingen om opgeleid  te worden tot geestelijke. In de wijk Kalsdonk, waar ik woonde, was alles gericht op het katholieke geloof. De Heilig Hartschool voor meisjes, de Sint Georgeschool voor jongens. In het patronaat, tegenwoordig wordt dat Buurthuis genoemd, mochten alleen maar jongens komen. Een kapelaan of onderpastoor hield ons zooitje daar in het oog. De verkennerij stond onder toezicht van een geestelijke. Bij voetbalclub R.B.C. hield kapelaan Lanen, Geestelijk Adviseur, de touwtjes strak. Hij maakte uit wanneer er gevoetbald mocht worden. 's Zondags, pas nadat de laatste mis was afgelopen, mocht er gespeeld worden. Ook met de katholieke feestdagen werd terdege rekening gehouden.

Wanneer we onze pastoor of een de vier kapelaans tegenkwamen met ’’Ons Heer’’ moesten we knielen op straat en een kruisteken maken en een weesgegroetje bidden of een kort schietgebedje opzeggen. Ze waren dan op weg naar een zieke of een stervende. Die had gevraagd om het vijfde sacrament der stervenden, Heilig Oliesel of ziekenzalving, te mogen ontvangen en tevens te biechten.

Wij woonden schuin tegenover de Heilig Hartkerk en wellicht had dat te maken met het rots vast vertrouwen in het katholieke geloof. Alles stond in het teken van het Roomse gebeuren. Christ Buijk was de koster van de Heilig Hartkerk. De Familie Buijk woonde recht tegenover de kerk, hoek Parklaan-Gastelseweg, en had daar een kruidenierswinkel. En op de zolder van het grote huis hadden ze een altaar staan met de nodige attributen. We speelden daar dan de Heilige Mis na. Op die manier van spelen deden we veel roomse wijsheid op.

Iedere morgen moesten we naar de kerk. Het eerste wat de schoolmeester vroeg, nadat we hadden gebeden op school, was wie er naar de vroegmis in de kerk was geweest. Hij hield dat bij in een boek om het de pastoor te laten zien wanneer die catechismusles kwam geven. Bij binnenkomst van onze pastoor of kapelaan moesten we netjes in gelid naast de schoolbank gaan staan en begroeten. Bij mijn weten heb ik nooit verzuimd om naar de kerk te gaan. En ik heb ook nooit met enige tegenzin of problemen te maken gehad in mijn lagere schoolperiode. Het was een mooie tijd en orde en discipline hoorde gewoon bij onze opvoeding!

 

Foto: Chartias met links de kapel in 1950. Collectie West-Brabants Archief, uitgave M. Verdult.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie