T T

Oorlog, Bezetting, Bevrijding

Publicatiedatum 14-06-2017

De tweede wereldoorlog begon voor Roosendaal met een Duits bombardement op zaterdag 11 mei 1940. De eerste oorlogsslachtoffers werden geregistreerd. Verwoeste huizen en fabrieken is het begin van de oorlog en bezettingswaanzin. Roosendaal, onze stad, wordt bezet door de Duitsers. Duitsers in het groen gekleed en met spijkerlaarzen namen brutaal bezit van Roosendaal. Burgemeester Mr. Dr. Claudius Prinsen (1932-1942) moet weg. In zijn plaats komt van 1942 tot 1944 N.S.B.-er Jacques Daems. Deze vlucht weg op de fiets enkele dagen voor de bevrijding. Die wou wel weg. Corrupt, gemeen, laf en laag! Gedurende die jaren als ‘Burgemeester’ was hij een gevreesd man. De bezetting en de onderdrukking zou ruim 4 jaar lang gaan duren. Het was niet zozeer de Duitsers waar de burgers schrik en angst voor hadden, maar meer nog voor de laffe N.S.B.-landverraders.

Het geallieerde bombardement van woensdag 31 mei 1944! Amerikaanse bommenwerpers gooien bommen op en over Roosendaal. 77 burgers komen om het leven. De bommen richten ook toen weer enorme schade aan huizen en straten enz. In de krant van dinsdag 6 juni 1944 las men dat de invasie was begonnen. Echter het zou nog maanden duren voordat we eindelijk bevrijd werden. Op dinsdag 5 september 1944 was het ‘Dolle dinsdag’! Roosendalers dachten dathet afgelopen was. De Engelsen zouden komen! Een ernstige misrekening, want rond het middaguur verschenen wagens vol ‘Grὓne Polizei’. Blijheid en vreugde sloeg om in angst en verdriet. Opnieuw waren er doden te betreuren onder wie Dhr. Bilok. Een verzetsman die op de Gastelseweg woonde. Hij werd op straat doodgeschoten door een Duitse soldaat. Een N.S.B.-er had hem verraden aan de Duitsers.

Onze stad werd pas bevrijd op maandag 30 oktober 1944. Vliegtuigen met Engelse parachutisten landden tussen zilveren papiersnippers. Doordat het zilverpapier in de lucht dwarrelde en blonk, wisten de Duitsers niet waarop ze gericht konden schieten. Eindelijk was het dan zover! Op maandag 30 oktober 1944 houdt Mr. Dr. burgemeester Claudius Prinsen op de Markt in de nanoen zijn eerste toespraak voor de bevrijde inwoners van Roosendaal.

Ik was 5 jaar toen Roosendaal bevrijd werd van de Duitse bezetters. De bevrijding ging gepaard met verliezen van mensenlevens. Ruim 200 huizen werden verwoest en 580 huizen zwaar beschadigd. Mensen die ik ook kende. Bijvoorbeeld de vader van Wim Putto kwam om bij een bombardement op het stationsemplacement donderdag 14 september 1944. Zijn naam staat ook gegraveerd op het monument ‘De Vrede’ voor de omgekomen spoorwegmensen. Samen met nog 18 collega ̓s. Het monument staat rechts van de hoofdingang van het station.

                  “Ter nagedachtenis aan hen die vielen, 1940 -1945.”

Wim woonde met zijn ouders op het Heilig Hartplein. Hij zat bij mij in de klas op de Heilig Hartschool in de Rector Hellemonsstraat bij de nonnen. Op de bewaarschool daar waakte zuster Octavie over ons. Zij leerde ons matjes vlechten, tekenen en kleuren. Dat was waar we ons de hele dag mee bezig hielden. Tevens bereidde ze ons voor op het roomskatholieke leven. Met de gevouwen handen en ogen werd er gebeden. Elke dag kregen we een sinaasappel om de nodige vitaminen op te doen. Verder was er regelmatig controle op tuberculose door de schoolarts. Door ondervoeding kwam dat veel voor. Thuis wachtte ons moeder s ̓avonds met de eetlepel levertraan. Nou daar stonden we niet voor te dringen om dat bittere spul door te slikken. Op allerlei mogelijke manieren probeerden we daar onderuit te komen. Wat overigens nooit lukte! Na het wassen in een grote zinken teil werden de kapotte knieën en ellebogen geschrobd om het vuil eruit te halen. Dan deed ze daar zalf of poeder op. Ons moeder was zo flauw niet hoor. s’Avonds was dat een vast ritueel!
Ik woonde dichtbij school, maar kreeg eten en drinken mee van huis om tussen de middag over te blijven! Vermoedelijk was uit oogpunt van veiligheid en omdat mijn ouders het druk hadden met de winkel en slagerij op de hoek Gastelseweg-Parklaan.Een hoop gedoe en tumult was het wanneer we ingeënt werden tegen difterie (kroep). Huilende, angstige en bange kinderen die probeerden te ontsnappen. Maar die werden in bedwang gehouden door zusters (nonnen) om de prik te ontvangen die nodig was. Difterie was een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij kinderen in de jaren veertig .

Het seinhuis op het stationsemplacement bleef gespaard. Een deel van het Roosendaalse centrum lag in puin. Opvallend waren de aanvallen op het station. Steeds op zondag in de vroege ochtend. En wel op zondag 10, 17, 24 september en 1 oktober 1944. Veel Duitse en Engelse soldaten kwamen om in de gevechten. In Nispen, het grensgebied en op de Brembos werd hard gevochten. De gesneuvelde soldaten werden begraven op een hoek van weilanden en akkers  in de Rietgoorsestraat. Vanaf Vijfhuizenberg tot aan café De Brembos, hoek Bergsebaan weet ik nog. Het waren de herkenningsplekken om ze later weer te kunnen opgraven. Een houten kruis met erop de naam van de gesneuvelde, zijn helm en geweer.
Een afschuwelijk gezicht van koeien die dood in de wei lagen en afgebrande boerderijen. Bij mijn opoe Lies Theunis en opa Piet van Eekelen was op de boerderij een noodhospitaal ingericht. Dat ging er allemaal niet zo flauw aan toe.Iedereen die een tuin had, zocht beschutting tegen rondvliegende granaatscherven door een schuilkelder te bouwen. In onze tuin hadden wij ook een grote schuilkelder. In de rest van de tuin hadden mijn ouders een kippenhok en een aardappel- en groenteveldje. Wanneer er vliegtuigen over kwamen en de sirenes loeiden moesten we de schuilkelder in. Ik vond dat altijd spannend, dat vluchtgedoe. Nog vele jaren na het einde van de bezetting mochten wij onze schuilkelder gebruiken als speelhut.

Net na de bevrijding, maandag 6 november 1944, zat ik bij mijn moeder achter op de fiets. We waren op weg naar de boerderij van haar ouders, mijn opoe Lies en opa Piet van Eekelen-Theunis voor de wekelijkse bezoekdag. Op een veld aan de Rietgoorsestraat waren twee jongens aan het spelen, Leo en Kees van Eekelen. Of het familie is of was is mij niet bekend. Bij één van hun spelletjes sprongen ze op één van de vele achtergebleven Duitse landmijnen. Die ontplofte. Leo was op slag dood, 15 jaar oud, en Kees overleed de volgende dag, 14 jaar oud. Op het moment dat wij daar voorbijreden zie ik de botjes in de grond staan. Landmijnen en munitie lagen er overigens maar genoeg samen met ander militair spul. Granaat scherven, gasmaskers, lege en soms volle granaathulzen, schakelbanden met kogels. Voldoende om onze jongensfantasie te verrijken.Van de geelkoperen granaathulzen werden na de oorlog asbakken en ander sierwerk gemaakt. In de halve meter hoge koperen huls werden pauwenveren en grote Lisdodden gezet. “Voor in de beste kamer”-versiering tijdens de winterse dagen. In die tijd was het koperpoetsen populair bij huishoudelijk werk.

Met de komst van de Canadese en Engelse bevrijders kregen we niet alleen vrede maar ook snoepgoed, koek, kauwgum, chocolade en andere lekkernijen. Ouderen die rookten kregen sigaretten, Players. Mijn moeder, weet ik nog wel, was niet blij met Engelse soldaten in huis. Maar ze moesten de soldaten onderdak geven. Geweren werden tegen het behang gezet, schoenen en plunjezakken slingerden in het rond. En daar moest ons moeder niks van hebben. Op haar manier maakte ze dat onze bevrijders wel duidelijk, zo hoorde ik haar later nog zeggen.Op de Kade staat het monument ter herinnering aan de bevrijding van Roosendaal. Het beeld is gemaakt door beeldhouwer Joop Vlak uit Roosendaal. Een zuil met daar bovenop de wereldbol en de ijsbeer. In juli 2013 kreeg de ijsbeer weer zijn eigenlijke kleur terug. Dankzij een initiatief van Rini Wagtmans en het schoonmaakbedrijf Kârcher was de ijsbeer weer wit. Engelse oorlogsveteranen, van het 49ste West Riding Infanterie Divisie, waren verdrietig over de toestand van het monument.

Van 26 tot 30 oktober 1944 vochten de ‘Polar Bears’ en Tommy’s samen met een tankregiment onder het bevel van het Generaal Montgomeryleger tegen de Duitsers. De Polar Bears droegen gebroken witgekleurde jacks, baretten en broeken. Van achtergebleven kleding liet mijn moeder voor ons op maat jacks, baret en broek maken. Een van mijn jongere broers zat op de schoot van een Polar Bear-soldaat bij ons in de keuken. Hij noemde hem ‘stinkboy’, omdat hij een vuile luier aan had. We waren toen al met zijn drieën, drie jongens. Op de wei bij de Heilig Hartkerk hadden de Engelsen hun auto’s, jeeps, benzinevoorraad en bivak opgeslagen. En daartussen door speelden wij. Later voetbalden en vliegerden wij op de wei. De lederen bal was er een met veters. Vooral wanneer de bal nat was en er gekopt moest worden kon dat goed pijn doen. Beenbeschermers werden gemaakt van karton. Schoenmaker Donkersteeg in de Marconistraat spijkerde de doppen onder de voetbalschoenen. Wanneer de doppen versleten waren en de spijkertjes naar voren kwamen, kon dat wel eens flinke schrammen opleveren bij de tegenstander. Schoenmaker Donkersteeg kon ook de lederen bal stikken. Wanneer een bal in ‘behandeling’ was bij de man maakten we er één van bullen en papier. Op die manier konden we toch weer even door.
Nog even vermelden dat we jaren lang op de wei voetbalden met Theo Laseroms .‘De Tank’, zoals hij later genoemd werd, was van mijn leeftijd en kon toen al goed voetballen. In de top 100 van de beste Nederlandse voetballers uit de 20e eeuw stond Theo op nummer 87 geklasseerd. Voetbalde zijn eerste interland in 1965 tegen Noord-Ierland. Op 16-jarige leeftijd in het eerste elftal van RBC. Daarna volgden nog meer grote binnenlandse en buitenlandse clubs. Theo stierf aan een hartstilstand op 25 april 1991. Hij mocht maar 51 jaar worden.


Foto: Het door een bombardement getroffen waterreservoirgebouw op het spoorwegemplacement, collectie West-Brabants Archief.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie