T T

Bevrijding Roosendaal 30 oktober 1944 en jaren daarna

Publicatiedatum 14-06-2017

Roosendaal, oktober 2015.


*Jaren van bezetting
Op 10 mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit. Er wordt dikwijls gesproken over vijf oorlogsjaren, maar de oorlog heeft slechts 80 uur geduurd. Op 15 mei 1940 capituleerde Nederland. Daarna werden we ruim vierenhalf jaar in Roosendaal en Nispen bezet en onderdrukt door de Duitsers.
Mijn oom A.A. van Eekelen sneuvelde op de Grebbeberg op 12 mei 1940. Na amper twee dagen zinloos vechten tegen het machtige Duitse leger. Samen met ongetrainde en vredelievende Nederlandse soldaten ligt hij op Begraafplaats de Grebbeberg te Rhenen begraven. Elk jaar probeer ik een bezoek te brengen aan de begraafplaats in Rhenen. Zijn naam staat ook vermeld op het bevrijdingsmonument kruising Parklaan - Lyceumlaan.
Mijn vader en zijn vier broers hadden allen een slagerij in Roosendaal ten tijde van bezetting. Omdat Duitsers bekend stonden om lekker te eten, moesten de slagers verplicht zorgen voor worst en vlees voor de Duitsers. Verplicht moesten onze ouders ook Duitse soldaten onderdak geven. Ook de pastorie van de Heilig Hartkerk en het klooster van de Heilig Hartschool was gevorderd door de bezetters. Volgens mijn moeder waren de Duitse soldaten “netjes” in huis. Daarentegen waren de Engelse soldaten, toen we bevrijd werden, slordig tijdens hun verblijf. Ik herinner me nog dat mijn moeder boos werd op enkele soldaten. Die hadden de gewoonte om hun geweer tegen het behang te zetten. Met als gevolg dat ze het behang beschadigden! De Duitse soldaten waren ook niet altijd slecht of kwaad, wel zeer gedisciplineerd. De Roosendaalse inwoners waren doodsbang voor de NSB landverraders. Ik woonde destijds op de hoek Gastelseweg - Parklaan, in de buurt Kalsdonk. Daar woonden nogal wat NSB’ers welke ik gekend heb.

Op dinsdag 5 september 1944 was het “Dolle Dinsdag”. De mensen dachten dat de bevrijders in aantocht waren. Vanwege slechte communicatie bleek het een ernstige misrekening te zijn. De “Grüne polizei” verscheen in vrachtwagens en er vielen weer doden onder wie de verzetsman de heer Bilok. Hij werd verraden door een NSB’er die ook op de Gastelseweg woonde, vlakbij hem in de buurt nota bene. Hij werd door een Duitse soldaat doodgeschoten op straat. De heer Bilok kwam dikwijls bij ons thuis om “iets te vertellen” wat niet voor mijn oren bestemd was! Het ging er allemaal geheimzinnig aan toe, vond ik. En maar goed ook natuurlijk.
Mijn ouders hadden een schuilkelder laten maken in de tuin. Bovenop de schuilkelder werden groenten en aardappelen verbouwd, en kippen hielden ze voor eieren enz.
Ik vond het altijd wel spannend hoor wanneer de sirenes loeiden. Maar wanneer de luchtbeschermingsdienst luchtalarm afgaf, moesten we de schuilkelder in. Nadat de vliegtuigen hun bommen uitgegooid hadden over de stad of doel, en het weer wat rustig werd, mochten we weer uit de kelder komen. Bij kaarslicht gezeten en gelegen op strobedden had het wel iets! Vooral toen de V1 (onbemande straalvliegtuigen) zonder ophouden, zo leek het wel, overvlogen, was het gevaarlijk om op straat of buiten te komen. Het was oppassen voor granaatinslagen en de scherven daarvan die in het wilde weg rond vlogen. Want die konden de meeste schade aanrichten. Dit is nog te zien aan de gevels van huizen en boerderijen in onze streek, welke voor de oorlog gebouwd zijn. Op Roosendaals grondgebied storten in totaal 20 V1-straalvliegtuigen neer.

*Na de bevrijding
Nadat we bevrijd waren, is de schuilkelder nog lange tijd door ons gebruikt als speelplek. Vrienden hadden we genoeg om “oorlogje” te spelen. Trouwens we hadden voldoende fantasie om ons na schooltijd en tijdens vakantie bezig te houden.
Na de bevrijding werden de NSB’ers, mannen en vrouwen, kaal geschoren. Zodat ze op hun werk of in de buurt waar ze woonden herkenbaar waren om vernederd te worden. Vooral de vrouwen vonden dat niet zo fijn natuurlijk. Maar al die jaren hadden NSB’ers ook veel gezinnen verwoest en mensen het moeilijk gemaakt. NSB’ers waren gewone burgers met gezinnen. Buren die plots een verkeerde kant kozen. En ook na de bevrijding hebben NSB’ers het nog lange tijd erg moeilijk gehad. Vooral hun kinderen op school hebben een beroerde tijd mee gemaakt.

Tijdens het bombardement van donderdag 14 september 1944 op het stationsemplacement kwam de vader van Wim Putto om het leven. Wim Putto was een schoolvriendje van mij op de Heilig Hartschool. Zuster Octavie had ons daar onder haar hoede en vertelde dat Wim zijn vader dood was. De naam van zijn vader, W.J. Putto, staat vermeld op het Monument voor gevallen spoorwegpersoneel op het Stationsplein. De familie Putto woonde op het Heilig Hartplein.

*Maandag 30 oktober 1944.
Engelse soldaten kwamen de stad binnenmarcheren. Vanaf dat moment werden we echt bevrijd. Er waren haast geen Duitsers meer te bekennen. Vliegtuigen strooiden zilverpapier uit om de Duitsers op het dwaalspoor te zetten. Zodoende konden Engelse parachutisten veilig landen om op de grond te vechten. Het dwarrelen van het zilverpapier met daar tussendoor parachutisten was een mooi gezicht in de lucht.
Vanaf de Belgische grens, Bergsebaan, Rietgoorsestraat tot Brembos is er hard gevochten. Bij mijn opa Piet van Eekelen op d’n Brembos was een noodhospitaal ingericht. Zijn boerderij werd getroffen en totaal verwoest door het bombardement. Jarenlang hebben ze nog in een noodwoning moeten leven.
Gesneuvelde soldaten werden provisorisch begraven op akkers en velden langs de kant van de weg. Veel tijd werd daar niet aan besteed. Wel koos men voor de hoeken van een veld of akker om ze later gemakkelijker terug te vinden bij opgravingen. Een graf met een van stokken gemaakt kruis, naamplaatje en helm was al wat herinnerden aan de gesneuvelden. Na de oorlog zijn er opgravingen verricht met nette herbegravingen .
Via de Hulsdonksestraat en Kade ging het richting centrum Roosendaal. En toen kon men de bevrijders omhelzen. Blijde mensen op straat en families die hun geluk niet op konden. Ondanks veel verdriet door tegenslagen was er ook vreugde. Het was voorbij!
De meeste Duitsers waren gevlucht op fietsen, met paarden en auto’s die ze nog “gevorderd” hadden van boeren en burgers. Ook dekens en kleding werden gevorderd.
Duitsers die niet op wilden geven of niet konden vluchten, verschansten zich in de pastorie en toren van de Heilig Hartkerk. Ze schoten op alles wat ze maar zagen.
Tot ze uiteindelijk toch met opgeheven handen tevoorschijn kwamen om zich over te geven.

De Engelse en Canadese soldaten deelden blikken koek, snoep, chocolade en sigaretten uit aan de bevolking. Mijn moeder liet van lappen stof voor ons kleding maken. Ze kreeg de stof van de divisie Polar Bearsbevrijders. Er werd een baret, jack en broek van gemaakt. Wij leerden ook wat Duitse woorden en later natuurlijk wat Engels. Mijn jongste broer werd, toen hij op schoot zat bij een Tommy “stinkboy”genoemd, vanwege een vuile broek die hij aan had. Een woord dat mijn broer nog lange tijd heeft aan moeten horen.
Belangrijk was de radio die weer tevoorschijn mocht komen. Mijn vader had die ergens verstopt op een plek waar wij niks van afwisten. Ons vader wist natuurlijk wel beter. We wisten zelfs niet dat hij hem verstopt had. Maar plotseling was de radio er weer!

We waanden ons als een echte Polar Bear met baret, jack en broek, wanneer we oorlogje speelden. Een mooie tijd weet ik nog. Met Duitse en Engelse helmen en gasmaskers. We vonden ook veel achtergebleven oorlogstuig op onze strooptochten. Kogels, koperen hulzen, geweren en granaten al dan niet intact. Kisten met munitie waar we totaal geen weet van hadden. Levensgevaarlijk natuurlijk, maar er was weinig of geen controle op.
Maar er zaten ook minder mooie kanten aan. Mijn Opoe en Opa woonden op de Brembos.
Een buurtschap onder Nispen vlak aan de grens met België. Mijn moeder ging op de fiets naar haar ouders voor het wekelijks bezoek. Ik zat achterop de fiets bij haar toen er een landmijn ontplofte aan de Rietgoorsestraat. De broertjes Leo (15 jaar) en Kees van Eekelen (14 jaar) waren met een landmijn aan het spelen op de akker, totdat die ontplofte. Leo was op slag dood en Kees overleed de andere dag. Ik zie nog de botjes in de grond staan. Dat gebeurde op maandag 6 november 1944 in de namiddag. Ondanks de waarschuwingen op bordjes “Opgepast voor landmijnen” kwam het regelmatig voor dat er ongelukken gebeurden.
Ook op het veld en plein voor de Heilig Hartkerk bij de Gastelseweg gebeurde een ongeluk. Daar waren Engelse soldaten met olie en benzine een vuur aan het maken om zich te verwarmen. Maar een paar nieuwsgierige jongens, zoals wij allemaal waren, kwamen te dicht bij het vuur en verbranden hun gezicht en handen. Een levenslange herinnering met littekens in het gezicht en handen hielden ze er aan over.
Op het veld stonden jeeps, auto’s met munitie, benzine, tanks en ander materiaal. Een drukte van jewelste waar wij gewoon tussendoor speelden. Maar waar wij een mooie tijd en enorm veel geluk gehad hebben! Ik moest dikwijls op mijn twee jongere broers passen. Tot het natuurlijk een keer fout ging. Op een gegeven moment gingen we er toch even tussenuit, de straat op. De Engelse soldaten keken niet zo nauw met het rondrijden in auto’s. Ze reden de hele dag af en aan. Ik weet nog dat ik mijn broer Toon even liet glippen! Hij stak plotseling over toen er een jeep aangereden kwam die net op tijd kon remmen! Gelukkig liep het goed af, maar de schrik zat er goed in. En met een hoop geluk kwamen we toch weer goed weg!

*Zo gewoon en simpel!
O ja, we knikkerden op straat met knikkers gemaakt van klei. Knikkers met allerlei kleuren. Ook goud- en zilvergekleurde knikkers en juist die waren “veel” waard. Wanneer er iemand boos werd, omdat hij verloor, stampte hij de knikkers tot gruis. Dan liep het weer uit op een gevecht. Veel later kwamen de glazen tillen. Ook daar zat weer “waardeverschil” in, zoals bijvoorbeeld geschelpte met kleurenpracht. Overal waar we ook naar toe gingen, namen we, gedragen in een oude sok, onze buit en bezit mee.
Ieder jaar met Kerstmis hadden we een echte dennenboom in de huiskamer staan. Met zelfgemaakte sterren en andere figuren van karton, glitter en lijm. En ijzeren knijpertjes waar we echte kaarsjes in konden zetten en laten branden. Daarom stond er ook altijd een emmer zand en water naast de boom. Niet zo moeilijk om te raden waarvoor natuurlijk. De kerstboom werd een week voor Kerstmis geplaatst en moest dan blijven staan tot eind januari.
Met Sinterklaas kregen we een step met volle banden. Wat voor materiaal het was, weet ik niet. Maar we hadden nooit een lege of lekke band. Ieder jaar waren we de step een tijdje kwijt. Dat was nodig want onze buurman knapte de step op en gaf hem een andere kleur. Dat mochten wij natuurlijk niet weten. De step was “gewoon” weg en we moesten maar een nieuwe vragen aan Sinterklaas. Vragen of hij die wou “rijden”. En op 6 december s’ochtends in alle vroegte stond er weer een nieuwe step. Middenin de kamer tegen de tafel waarop onze spulletjes lagen: met kleurpotloden en een kleurboek, een mecanodoos, een speelgoed motor met berijder die we met een sleutel op moesten winden, leesboeken, pepernoten, een chocoladeletter, marsepein en een sinaasappel. De wortels, die we in een klomp gedaan hadden, voor het paard van Sinterklaas waren weg. Achteraf bekeken aten we dan een paar dagen later peenstamppot.
Elke ochtend in de winter moest de kolenkachel aangemaakt worden met kachel houtjes en petroleum, lucifer erbij en branden maar. Wanneer het vuur goed brandde, werden er kolen opgegooid. Het duurde echter altijd wel even voor het warm was in de keuken. In de keuken werd gegeten en konden we ons s’avonds wassen aan de koude kraan. Een douche of bad hadden wij niet. Later mocht ik een keer per week naar het badhuis in de Stationsstraat. Voor een kwartje stond ik dan 10 minuten onder de douche. Wat een luxe. Waren we heel vuil, dan werden we gewassen in een zinken teil. De eerste had geluk om met schoon water gewassen te worden en de laatste had gewoon pech. Heel de dag stond er wel een pan met water op de kachel voor koffie en thee of voor de afwas enz.
S’avonds gezeten rond de plattebuiskachel met zijn dikke, soms rode gloeiende buik in de keuken, werd er dan naar hoorspelen op de radio geluisterd. Wigwam, Paul Vlaanderen, Bonte dinsdag avondtrein en verhalen werden verteld. Op de kachel deden we beukennootjes, kastanjes en sterappeltjes poffen. In plaats van chips en andere versnaperingen, want die waren er niet in die tijd.
We hadden ook een huiskamer, ook wel “de mooie kamer” genoemd . Maar die bleef dicht. Daar mochten we niet in komen. Ons moeder was, zeer terecht, bang dat wij daar iets zouden vernielen. De huiskamer was bedoeld voor bezoek en familie. Ook kwamen onze pastoor en kapelaans één keer in de maand eten. Mijn vader had aan de pastoriebewoners een goede klant voor vleesafname. Op die manier deed hij dan iets “terug”. In die kamer stond een potkacheltje. Dat werd alleen maar bij feestdagen en wanneer er iets bijzonders te doen was, gebruikt voor verwarming.
Na schooltijd ging ik wel eens kolen mee helpen rapen. De machinisten van de stoomtreinen gooiden kolen naar buiten op het stationsemplacement. Dat deden ze voor mensen die het niet zo breed hadden. Zij lieten hun kinderen dan kolen zoeken. Het waren kolen die nog goed waren, maar dat was ook de bedoeling van de machinisten.
Zoals bij veel katholieke gezinnen in die tijd, werd er s’avonds een rozenhoedje gebeden. Gebeden werd dan voor overleden familieleden, kennissen, dierbaren of om een wens te verkrijgen. Kwam er toevallig een klant langs “achterom” om iets te kopen, dan moest die maar mee bidden en wachten tot we klaar waren.
Bij mijn thuis deden we veel kaarten, dammen, schaken en andere bord spellen. Televisie hadden we niet en was er trouwens ook nog niet. Wel een krakkemikkige radio waarvan het geluid minder werd, wanneer de lampen verzwakten.

Maar al met al heb ik een mooie jeugd gehad, en kijk ik echt met voldoening daarop terug! Op 5 mei 1945 werd Nederland dan bevrijd van de Duitse bezetters.

 

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie