T T

De eerste Vliettocht (1956)

Publicatiedatum 26-06-2017

De eerste schaatstocht van 1956. Die werd gereden op de derde zondag in februari.

De winter was voor mij begonnen zoals ieder jaar: weinig vorst, veel regen en wind en het begon pas in februari te vriezen. Zelf woonde ik toen in Bossenhoofd en als enige oefenmogelijkheid waren wij aangewezen op een strookje water in het bos van het Pagnevaart. Ook hadden wij, wanneer het wat meer gevroren had, de kleine vijver van de waterleiding tot onze beschikking. Op onze houten Friese schaatsen waren wij in onze vrije uurtjes op het ijs te vinden en zelfs in het donker reden wij bij volle maan.

Toen verscheen er op een dag een klein berichtje in de krant dat er op de zaterdag die volgde een Vliettocht gehouden zou worden. Deze zou georganiseerd worden door de sportvereniging van de Roosendaalse politie. Daar hadden mijn vriend Ko Vergouwen en ik wel oren naar. We vonden het toen voor twee zandhazen al een hele uitdaging. Wij waren nog nooit zo ver weg op het ijs geweest en wij besloten het er op te wagen. Welgemoed gingen wij met de fiets op pad richting Roosendaal. Het vroor die morgen nog een graad of vier en met een rugwind waren wij zo ter plekke. Er waren al wat mensen op de been, wij parkeerden onze fietsjes en schreven ons in bij het café van de familie van Unen op de Kade. De warme jas die wij tijdens onze fietstocht aan hadden gehad, propte we snel onder de snel binders van de fiets. We aten nog een stukje brood en zochten een plaatsje om de schaatsen onder te binden.
Doordat ik mijn fietstrui als ondertrui onder mijn trainingsjack had aangedaan, was er een mogelijkheid om daarin nog wat stukjes sinaasappel in te doen voor onderweg. De stempelkaart goed opgeborgen en zo vertrokken we vol goede moed. Wat een ijszee die voor ons lag! Wij hadden immers nog nooit zulke rechte stukken geschaatst. En al gauw voelden we ons de echte vedettes die aan een groot avontuur begonnen waren. Spoedig kwamen wij voorbij de ophaalbrug bij de haven, die voor deze gelegenheid geopend was, en koersten zo het lange stuk naar het Gastels Veer op. Met een rustig gangetje en om beurten op de kop rijdend sjeesden we onder de ijzeren Bailybrug door en was er een klein gedeelte van de tocht volbracht.

We draaiden vervolgens de linkerbocht in om nu richting Bovensas te gaan. Met het windje nog meer in de rug en een vriendelijk schijnend zonnetje voelden wij ons opperbest. Over onze conditie maakten wij ons geen zorgen, daar hadden we geen gebrek aan. Zelf fietste ik bijna de gehele zomer en wij hadden in die tijd geen ander vervoersmiddel dan onze stalen rossen. Een betoverend landschap strekte zich aan weerszijden van de Vliet voor ons uit, wuivende rietkragen afgewisseld door grote groepen ganzen. Deze vlogen kwetterend op, om dan weer ergens ander neer te strijken. Dit alleen was al de moeite van het rijden van de tocht waard. Zo gebeurde het dat wij wat deelnemers inhaalden en zelf door de wat snellere rijders ingehaald werden. Spoedig verscheen voor ons de contouren van onze eerste stempelpost op het Bovensas waar enkele bootjes in het ijs vastgevroren zaten. Het was een leuk wintertafereel als uit het prentenboek van Anton Pieck, zo mooi en zo natuurlijk.

Na het stempelen rustten we even uit op wat planken waarvan een klein steigertje gemaakt was en we aten een klein stukje sinaasappel. De warmte van de zon voelde gewelddadig aan en we besloten verder te gaan met onze opdracht. Hoe verder wij kwamen des te groter werden de groepen mensen die we tegenkwamen en dus al op de terugweg waren. Het was ons dus al opgevallen dat er bij tijd en wijle bijzondere snelle rijders bij waren, die op echte noren reden. Wat zouden deze wel niet kosten en waar moest je deze wel gaan halen? Wij, als dorpsmensen die zelfs nog geen televisie thuis hadden, wisten met de beste wil van de wereld niet wat er allemaal op dat gebied te koop was.
Bij het laatste stuk voor het keerpunt bij de brug waar de weg van Steenbergen naar Dinteloord over ligt, was het ijs minder goed van kwaliteit. Het hobbelde nogal en je moest uitkijken voor de scheuren en om beurten struikelden wij wel eens. Het liep gelukkig goed af.

Aangekomen bij de brug was er toch nog een gelegenheid om helemaal tot aan het einde door te gaan, dus tot het Benedensas. Daar was het absolute eindpunt, want daar was de grote sluis en daarachter lag de Krammer ofwel het Hollands Diep. Onder de brug doorschaatsen was te gevaarlijk; het ijs was te dun door de vele wakken. Dus dan maar klunen, over de weg dat ging niet. Daarom was er op de wal tussen de spanten van de brug wat stro gelegd en met wat klauteren, kwamen we er onderdoor. Wij kregen onze stempel en vervolgden onze weg, en al snel passeerden we de afslag die naar het haventje van De Heen ging. Daar fladderden wij zo voorbij en toen zagen wij de masten van enkele kleine vissersbootjes aan de kant van de Vliet. We bolden wat uit tot wij voor het stempelhok waren, pakten onze stempelkaarten en boden deze voor stempelen aan. Daar kregen wij ook te horen dat er maar weinigen tot dit punt waren doorgereden, dat gaf ons een prettig gevoel. We dronken bij hen nog wat aangeboden warme thee en begonnen aan onze terugreis. Dat dit meer energie zou gaan kosten, voelden wij al direct. Immers nu hadden wij de wind recht van voren en de zon had zijn hoogste stand gehad. Het werd killer.

Bovendien waren wij door de rustperiode wat stram en stijf geworden. Je was ook zulke afstanden schaatsen niet gewend. Je voeten gingen na een bepaalde tijd zeer doen en we besloten de tijd die wij op kop reden wat sneller af te wisselen, daardoor was er wat energie te sparen. De wind nam wat meer toe en wij passeerden al snel de plaats waar we moesten gaan klunen. Dat ging beter dan de eerste keer. We reden zonder al te veel tegen elkaar te zeggen door, enerzijds doordat we wat vermoeiender werden, anderzijds waren we al wat uitgepraat.
Zo kwamen wij op de terugweg al snel bij het Bovensas waar we tot de ontdekking kwamen dat er nog vele rijders na ons aan de tocht waren begonnen, maar dit punt als keerpunt namen om zo weer naar Roosendaal terug te keren. We sloten ons bij enkele aan om zo een beetje het gevoel te krijgen dat de laatste loodjes minder vermoeiend zouden zijn. Wij moesten immers bij aankomst in Roosendaal nog een tiental kilometers met de fiets naar huis. Wij bereikten zonder al te veel problemen de brug van het Gastels Veer en het gaf ons een veilig gevoel om de schoorsteen van de suikerfabriek te zien opdoemen. Het was nu nog maar een klein stukje en moesten wij het laatste stempeltje halen. Dat werd ons gegeven door niemand minder dan het brein achter de gehele organisatie van deze tocht: hoofdagent Gillese.

We gingen naar het café vanwaar we vertrokken waren om onze medaille op te halen. Het was onze eerste schaatsmedaille en nog eens een hele mooie. Het was een stervorm met aan de voorkant een figuur van een schaatser en aan de achterzijde de inscriptie ‘Vliettocht 1956’.
Snel op onze fietsen naar huis, de wind tegen en het was flink koud geworden en we waren nu wel flink moe aan het worden. Zeer tevreden waren wij over ons debuut als schaatsers en we spraken af om een eventuele volgende tocht weer mee te rijden.
 

Film: Beelden van de eerste Vliettocht, die op de derde zondag van februari 1956 werd georganiseerd door de Roosendaalse Politie Sportvereniging, collectie West-Brabants Archief.


Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie