T T

Kerstmis

Publicatiedatum 26-06-2017

Roosendaal, Kerstmis 25 december 2014


Joost van den Vondel schreef in 1637:
’O Kerstnacht, schooner dan de daegen.
Hoe kan Herodes ’t licht verdraegen.
Dat in uw duysternisse blinckt.
En wort geviert en aengebede.
Zijne Hoogmoed luistert na geen rede.
Hoe schel die in zijn oren klinckt.



*Kerstmis 25 december 1950

Het zijn woorden die in de decembermaand voor een aparte sfeer zorgen. Nog dikwijls denk ik terug aan Kerstmis en Nieuwjaar in mijn jeugdjaren. Kerstmis had voor ons een speciale betekenis omdat we in een rooms-katholieke gemeenschap leefden. Recht tegenover de kerk woonden wij en daar werd ons geloof dagelijks op de proef gesteld. Het merendeel van de bewoners in de ‘Kroningswijk Kalsdonk’ was katholiek. De weinige protestantse families hadden hun eigen geloof, denkwijze en handelen. Contacten met protestantse families en kinderen mochten we niet hebben. En de katholieke Geestelijkheid hield de touwtjes strak op school, verenigingsleven en samenleving. De Heilig Hartkerk en de Heilig Hartschool, dat was de kroningswijk!

In de kerstnacht gingen we naar de Plechtige Nachtmis in de Heilig Hartkerk. Om 23.45 uur begonnen dan de klokken te luiden. Een geluid wat we niet zo dikwijls hoorden. In die jaren hingen er wel klokken in de toren maar het uurwerk en wijzers ontbraken. Onze pastoor Konings zei dat hij daar voor spaarde! Al een uur van te voren zaten er kerkgangers in de kerk om maar zeker te zijn van een goede plaats. Verwarming was er niet in de kerk. Het kon er bar koud zijn. Er was wel een kolenkachel om de kerk te verwarmen maar onze pastoor Konings vond dat het ook niet nodig was om die te gebruiken! In de pastorie stond in een aparte ruimte de verwarmingsketel. En een paar grote houten kolenhokken waar verschillende soorten kolen in lagen, zoals eierkolen, briketten en antraciet. En de parochianen spraken daarover dan stilletjes en voorzichtig onder elkaar: “De kolen liggen te liggen!”. Maar we wisten niet beter, alles ging gewoon zijn gangetje. De kerk was rond middernacht tot de laatste plek bezet. Lichaamswarmte en adem zorgde ervoor dat het na een tijdje redelijk goed was om stil te zitten. Kerkgangers die te laat kwamen, moesten zelfs staan achterin de kerk. En vanwege de kou in de kerk hield iedereen zijn jas maar aan en sjaal om. Één van de voordelen was dan dat onze pastoor niet zo ‘n lange preek hield. De goeie man maakte altijd een vermoeide indruk op mij. De vrouwen zaten rechts in de banken en moesten hun hoofd bedekken met sjaal of hoed. De mannen zaten in de banken links en mochten hun hoed of pet niet ophouden. In de kerk was het bijna net zo donker als buiten. Maar we moesten van de nood maar een deugd maken, zoals met veel dingen in die tijd.

De dag voor Kerstmis moesten we gaan biechten met de hele schoolklas bij onze pastoor om zondevrij het kerstfeest te gaan vieren. Want ‘zondigen’ deden we maar genoeg! Ge kon naar de Hemel gaan en daar was het allemaal mooi. Maar de verhalen over het Vagevuur en de Hel dat beloofde niet veel goeds. Een ‘kleine dagelijkse zonde’, dat was er een voor het Vagevuur, die hadden we zo te pakken. En een ‘doodzonde’, daar moesten we helemaal niet aan denken. En de verhalen over de Hel en Vagevuur werkten nou ook niet bepaald ten voordele op ons innerlijk gevoel. Ik moest er niet aan denken om in het vuur gegooid te worden.

De Nachtmis was een Heilige Mis met Drie Heren. De Drie Heren waren onze pastoor en de twee kapelaans: Pastoor Konings, kapelaan Laanen en kapelaan van der Heijden. Met een aantal misdienaars die uitverkoren waren om te dienen. De plechtigheid duurde van twaalf uur (middernacht) tot kwart voor twee. We mochten lang van te voren niet eten of drinken, want we moesten nuchter zijn om de communie te ontvangen. De hostie mochten we niet met onze vingers of handen aanraken en ook niet op bijten. Na het ontvangen van de hostie moesten we onze handen voor het gezicht houden en de oefening van berouw bidden. Bij onze pastoor kreeg elke biechteling als penitentie drie weesgegroetjes. En die moesten dan ook afgewerkt worden.
Zo laat op blijven dat was nogal wat voor ons en ook om te lopen op straat bij het schaarse licht van de straat verlichting. Bovendien werd het nog leuker wanneer we onze schoolvrienden tegen kwamen die ook naar de kerk gingen. Bij het uitgaan van de kerk gingen we dan stoeiend en dollend op weg naar huis. We trotseerden de vrieskou en wensten elkaar Zalig Kerstfeest toe. En wanneer er sneeuw lag werden sneeuwbalgevechten gehouden. “De sneeuw is verdwenen, echter de herinneringen niet!”

Thuisgekomen wachtte het worstenbrood, broodjes en kerststol met koffie en warme chocolademelk. Ons moeder had weer maar eens goed gezorgd. De tafel in de “mooie” kamer was versierd met een kerstkleed en brandende rode kaarsen. Rood, want dat hoorde bij het Kerstfeest. Ook op tafel de mooie borden en het eetgerei wat maar een paar keer per jaar gebruikt werd. En bij de warmte van de kolen en hout gestookte kachels werd er kaart gespeeld, Monopoly en verhalen verteld. Op de radio zongen koren bekende kerstliedjes waar naar geluisterd werd en meegezongen. Televisie was er toen nog niet. We hadden wel een grammofoon. Zo eentje die opgedraaid moest worden met een slinger. De grammofoonnaald was een soort spijker die maar een keer gebruikt kon worden. En wat betreft de collectie grammofoonplaten wat we hadden, was nou ook niet zo geweldig. De kaarsjes werden aangestoken in de kerstboom. Een emmer met zand en water stonden uit voorzorg naast de boom gereed, indien de boom vlam zou vatten. Wat verstandig was van ons vader, want die had ons met drie van de vier elementen niet zo hoog staan. In de boom hingen halve maantjes, sterren en engeltjes, ballen en engelenhaar. Dat engelenhaar kon flinke jeuk veroorzaken. Het waren allemaal zelfgemaakte figuren van karton en triplex met goud en zilver glitter bespoten. Kerstkransjes van koek en chocolade bungelden na een tijdje half afgebeten aan een tak. Iedereen liep af en toe eens langs de kerstboom om te proeven!

De kerstboom bleef staan tot eind januari. In de kerststal werden Maria, Jozef, het kindje Jezus, herders, os en ezel met regelmaat verplaatst. Sommige figuren waren op diverse plaatsen gelijmd, wat goed te zien was. De drie Koningen stonden achter de kerststal, die moesten wachten tot zes januari.
Het was vroeg in de ochtend wanneer de laatste van onze vrienden naar huis gingen. Om half drie in de namiddag, eerste Kerstdag, gingen we naar het Lof en werd er het rozenhoedje gebeden. Daarna gingen we dan de kerststal bekijken na de gebedsdienst met zang in de kerk. Een knikengeltje dat naast de stal stond, bedankte vriendelijk knikkend voor de gave wanneer er een geldstuk geofferd werd. De Engel vond elk muntstuk wat geofferd werd goed. Of het nou ’n cent, ’n dubbeltje, of ‘n stuiver was, tevreden bleef ze knikken. Rond die Engel was het altijd een drukte van belang met jeugd. Onze neuzen konden er niet dicht genoeg bij komen. Soms werden we gecorrigeerd door een oudere kerkganger die het niet aan kon zien of horen. En mocht de knikengel daar in levende lijve hebben gestaan dan was hij zeker na een tijdje bezweken.
Tegen de avond, wanneer het begon te donkeren, begonnen we dan met ons gezin aan het grote kerstmaal. Bij brandend rood kaarslicht in de ‘mooie’ kamer gezeten.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie