T T

Zondag op de Wouwseweg (fragment)

Publicatiedatum 26-06-2017

De ruimte in de kerk is gevuld met koude echo's. Er zijn nog wat plaatsen in de banken aan de vrouwenkant. Mijn moeder gaat eerst de rij in.
‘Kom,’ zegt ze, terwijl ze zichzelf voorbij de zittenden beweegt. De mensen, hun knieën wegdraaiend, zuchten, terwijl ik passeer. Als ik ga zitten komt de iets te stijve jas omhoog, zodat de schouders ter hoogte van mijn oren staan en ik niet anders kan dan de muffe geuren van de binnenzijde opsnuiven. Ik word misselijk en zou het latere zondagskrentenbrood hebben uitgekotst, als we niet nuchter in de kerk moesten zijn om de Heer te ontvangen. Ik trek de jas open en leg de panden ter linker- en rechterzijde naast mij over de bank. Ik maak mijn hals lang en steek mijn hoofd omhoog. Ik adem de kille kerklucht in.

Op de muren, hoog boven de geloofsgemeenschap aan weerszijden van elk gigantisch kerkraam, zijn de twaalf artikelen van het geloof geschilderd. Iedere kleur is met iets te veel wit aangemaakt en ieder artikel is in afbeelding met veel symboliek beladen; die geboren is uit de maagd Maria.
Op de schoot van een schone jonge vrouw, zonder borsten met lang golvend blond haar en glinsterende blauwe ogen, zit een iets te forse baby, die beide handen uitsteekt om alle materiële gaven in ontvangst te nemen. Beide personages hebben niets goddelijks; zij zien met mededogen op het volk neer. Moeder en kind. Zij zitten. Wij zitten.

Ik kniel met de menigte mee en lees in mijn Henri Proost & Co, Turnhout België. Mijn onderlichaam duwt tegen de houten rugleuning van de voorbank. God is overal, lees ik. Ik ben nergens of nooit alleen. Waar ik ben, daar is God ook. God ziet en weet alles wat er gebeurt. Hij ziet wat wij doen; Hij hoort wat wij zeggen; Hij weet wat wij denken; Hij weet wat wij willen. God weet alles. Hij is bij mijn vader en moeder. Wat doet God daar? Voor wat is God geschapen?

De priester buigt diep.
Mijn Heer en mijn God, ik ben een zwak en zondig kind. Ik buig diep voor U neer en vraag vergeving voor al mijn fouten. Kom Jezus, ik snak en verlang naar U. Kom, ik open U mijn hart, kom en wacht niet langer. Blijf er al tijd wonen door Uw genade. Zou Jezus in deze stijve schurende jas wonen? Zou de ruwe paardenwol zijn blote benen prikken?
Kom Heer, woon in mijn jas. Verdrijf het café door Uw genade.

Allen gaan weer zitten. De priester bestijgt het hoge preekgestoelte met de witte rand. Dan breken de woorden los. Ze vliegen rond door het kerkgebouw, als zwarte vogels in de blauwe hemel. Ze trekken banen om pilaren, scheren hoog langs de gewelven en pikken in de oren van de hoestende mannen achter in de kerk. Als de priester zwijgt, slaat het woord nog een paar maal met zijn vleugels. Onverstaanbaar galmt het langs de zuilen en verdwijnt door het hoge raam naar buiten.

Aan de voeten van de maagd liggen de witte lelies van het veld. Ik tuur door mijn wimpers en zie de vorm langzaam verglijden; hoorntjes met ijs. Zacht roomijs van De Koninck. Elke zondagochtend na de Mis van halfelf, komt de blauwe ijscokar, getrokken door een kleine zwarte pony opgetuigd in donker vetleder, voorbij ons huis. Het blauwe kleed van de maagd krijgt de contouren van de ijscokar en het wit van haar onderkleed wordt het raam, waarlangs de ijscoman de traktatie aanreikt.

Ik sluit mijn ogen en ruik de vijgen van de zwarte pony uit mijn jas opstijgen. Ik stop mijn handen in de zak en voel het dubbeltje dat ik van mijn moeder heb gekregen. Tien centen voor de offerandeschaal. Mijn jonge hart klopt onrustig in mijn borstkas, maar ik weet van mijzelf, dat ik te weinig moed heb om dit dubbeltje nonchalant niet in de schaal te gooien. Te weinig moed om ze straks bij de twee stuivers te voegen, die ik thuis na de Heilige Mis van mijn moeder zal krijgen om aan de kar ijs te kopen. Ik word rood, voel ik. Ik krijg het warm. Ik ben een zwak en zondig kind. Blijf er altijd wonen.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie