T T

Heilig Hartkerk

Publicatiedatum 26-06-2017

De laatste Heilige Mis, 26 november 2006

De laatste H. Mis in de H. Hartkerk. In een plechtige viering werd het gebouw, zoals men dat noemt, “ontwijd”. De altaarstenen en relikwieën werden verwijderd, het orgel speelde voor de laatste keer. Het Evangelieboek en de godslamp werden weggedragen. Er vloeiden tranen en met regelmaat brak de stem van een spreker of spreekster. De beslissing was aan het Bisdom om deze kerk te sluiten en tot verkoop over te gaan. In volgorde van belangrijkheid, mogelijkheid tot hergebruik, liturgische mogelijkheden en/of een medisch centrum. Voor de pastorie dacht men een hotel/restauranthouder te vinden.
Passende woorden werden gesproken door pastor Fons van Hees in zijn overweging. Waardering was er voor de vele vrijwilligers, die hun vrije tijd hadden ingezet voor parochie en kerk, en al ca. 5 jaren wisten dat de kerk ging sluiten. Zij kregen een plantje met rode bessen, want bessen verzekeren de toekomst van de plant enz.
De eerste was voor Piet van Leeuwen, de oudste en meest actieve vrijwilliger. Piet van Leeuw was in mijn jonge jaren hopman bij de verkenners in onze parochie. Het spreekt voor zich dat het een emotionele kerkdienst was. Onze H. Hartkerk, van “ons Kasdonk”, ging dicht, voorgoed. Over en uit.

Kalsdonk, of zoals het in de volksmond “Kasdonk” wordt genoemd. Voor ons was Kasdonk de H. Hart parochie. Voorbij Jo Potters zijn snoepwinkeltje, op de hoek van de Stoopstraat, begon de Antoniusparochie. En die hoorden er echt niet bij. Kasdonk was voor ons de H. Hartkerk en pastoor Konings, die de baas was van kapelaan van der Heyden en kapelaan Laanen. Iets later de sympathieke kapelaan Bruijns. Wij, van Kasdonk, gingen ook niet naar de stad. Nee, wij gingen naar Roosendaal. Wij woonden ver weg van de stadse mensen.
Die goeie oude tijd, was dat eigenlijk wel zo? Ja ,ik denk het wel. Voor ons, toen als kinderen, kort na de oorlog was het een mooie, goeie tijd. Het leven was rustig op Kasdonk, behalve als het kermis was. Dan kwamen de vechtersbazen zich wreken op hun rivalen die van “buiten” kwamen. Het bier vloeide rijkelijk in de vele kroegen en cafés. Ook de Korea-soldaten zorgden voor veel stampei eind de jaren ‘40. De avond voor ze ingescheept werden, werd het café van Stiena en Piet De Paus (Claassens) grondig verbouwd. De soldaten kregen hun opleiding in Roosendaal en in Rucphen. Het krioelde van Militaire Politie op zo’n avond. Die wisten dat het zo zou gebeuren. En wij als nieuwsgierige kinderen vonden dat leuk en spannend. Ik weet dat nog heel goed.

Kasdonk, en dan speciaal het stuk tegenover de H. Hartkerk, was heel vooruitstrevend. Wij hadden de eerste “winkelgalerij” van Roosendaal. Op de hoek Jacob van Heemskerckstraat en Gastelseweg woonde Janus van Meer, de kapper. Hij knipte ons voor 5 centen kaal. Bij enig protest zei Janus: “Ik ben hier de baas. En anders gaat er nog meer af.”.
Dan kwam vrachtwagenbedrijf van Wout Heeren. Een bedrijf waar dag en nacht gewerkt werd. Ik weet nog goed dat hun zoontje, Jantje, is doodgereden door een vrachtwagen op het erf, met zijn vader als bestuurder. Ik zat in een kar die werd getrokken door Jantje. Vreselijk, hij mocht maar 11 jaar worden. Nog een paar keer per jaar ga ik even langs zijn grafje op het kerkhof aan de Bredaseweg in Roosendaal.
Vervolgens mijn ouders met hun slagerij “Slagerij Sep” op de hoek Parklaan-Gastelseweg. Een gezin met zes kinderen, 4 jongens en 2 meisjes: Kees, Toon, Piet, Els, Annie en Bert Sep. Ja, wij waren “bekende kasdonkers” van slachter Sep bende gij d’r ene, da kunde wel zien. Maar waaraan? Ik weet het nog steeds niet. We rommelden maar wat aan.


Naast ons kwam op een gegeven moment de familie van de Velde wonen. Deze mensen waren protestant. Een geloof waar anders tegen aan gekeken werd. Mijnheer van de Velde was stationschef bij de spoorwegen en ingenieur. Zij kwamen van Meppel naar Roosendaal, naar Kasdonk notabene. Vanwege de vele overplaatsingen waren ze beter ontwikkeld dan wij. Dat bracht zijn werk natuurlijk mee en hij had gestudeerd. Maar wat een overgang voor deze leuke mensen, ver van familie vandaan,voor die tijd althans.
En dan kwam “De Parklaan”. In de Parklaan woonden veel leraren van het Norbertuslyceum, doktoren en fabrikanten. Ja, een “chique de friemel”-laan. Ik ken nog hun namen: Vissers, Boost, Steegman, Meyer (hij was vrijmetselaar), Vermunt, onze huisarts Dokter Cox, Tahey, Hobbelen, Hopmans, Stroeken, Heesters, Akkermans en Joosen. Zij behoorden allen tot de Heilig Hartkerk, behalve Meyer natuurlijk.
En dan Crist Buyk, met zijn kruidenierswinkel, en zijn vrouw Nel, die goed kon roddelen. Crist Buyk verving Jantje van Zitteren wanneer deze het te druk had als koster in de kerk. Zij hadden vier kinderen, 3 jongens en 1 meisje: Tonny, Toos, Theo en Piet. Ook leuk: Nel stond te roddelen over een klant die net was weggegaan, en mevrouw Hobbelen stond te luisteren. Toen ook zij had afgerekend zei ze: “Nu kunt u het over mij hebben, Mevrouw Buyk”.
Vrouwke van Zitteren en Jantje met hun sigarenwinkel, sorry, magazijn. Jantje maakte ook lijkkisten en was koster van de kerk. Tevens ook begrafenisondernemer. Het kon daar niet op. Verschillende keren mochten we komen kijken, wanneer Jantje een kist aan het timmeren was. Maar Jantje was ook de eerste die een auto reed en kocht. Een Ford Angelia. Er werd toen nog begraven met lijkkoetsen voortgetrokken door paarden Een paar jaar later kocht hij een lijkauto. Een slee van een wagen. “Mooi om te zien, van buiten”, zei Jantje, “maar niet om in te liggen”. Ik ging daar in de winkel kleingeld wisselen voor mijn vader, evenals andere winkeliers. Jantje kwam aan kleingeld, omdat hij koster was. Toentertijd werd er tijdens de Heilige Missen nog veel gegeven aan kerkcollectes.
Dan kwam Janus de Veth met zijn VEGE-supermarkt en zijn vrouw Cor. Laatstgenoemde deed niet onder voor Nel Buyk. Wij plaagden de man steeds door te zeggen, dat zijn chocolade naar zeep smaakte. Nou die kon me dan kwaad worden zeg. Logisch toch. Voor een vast bedrag zat Janus in de zweef en schommels. Mooi gezicht hoor.
Ja, de zweef en de schommels van de familie Leander uit Breda, echte kermisgasten. Ze staan nu ergens in Amerika, evenals de botsauto’s. De laatste waren te duur voor ons. En bij Leander kregen we vrijkaartjes, wanneer we de kermis mee hielpen opbouwen.
En dan “koffieshop” van Piet en Stiena Claassens bijgenaamd “De Paus”. Het café recht tegenover de H. Hartkerk. In de zaal achter het café kregen wij boksles op een doordeweekse dag. In het weekend, dat werd toen zo nog niet genoemd, was het bal op muziek van het orgel. Wij stonden dan door de gordijnen en een halfopenstaande deur te gluren om de grote mensen te zien dansen, en “raar” zien doen. Wanneer Stiena ons zag, joeg ze ons weg. Het was daar ook waar de Korea-soldaten hun “oefeningen” na veel bier drinken hielden. Misschien niet ten onrechte, want ze gingen een vreselijke oorlog tegemoet ca. 1948. Waarom werd Piet Claassens “Piet de Paus” genoemd? In de winter liep hij gekleed in een lange lederen jas met bontkraag. Zo simpel, dat ook zijn kinderen dit stempel nog mee kregen.


Verder Jan Posthumus. Hij was loodgieter en verkocht ijzerwaren, kachels en om nooit te vergeten, spijkers. Alle soorten, en zijn vrouw heeft het geweten. Om de haverklap lieten wij de winkelbel rinkelen om voor tien centen spijkers te kopen. Later begreep ik ook waarom dat vrouwtje altijd zo kribbig deed. “Wast nou wir”, zei ze dan, “spijkers zeker. Neie toch.”. Wanneer Jan bij ons thuis iets moest repareren, het leek soms wel twee keer week, dan zei hij altijd, met z’n handen in de zijstaand, turend naar hetgeen wat gemaakt moest worden: “dat gaat geld kosten beste mensen, zal ik maar zeggen”, en nog eens, “zal ik maar zeggen.”.
Dan Janus van der Burg. Die dreef een groothandel in brandstof, kolen en turf. Janus was een beer van een mens, oersterk. Hij gooide de zakken met kolen op zijn rug en liep er zo een eind mee weg. In de zomer kochten mijn ouders de wintervoorraad. Antraciet, eierkolen en briketten voor de nacht. Gewikkeld in een natte krant werden ze voor het naar bed gaan in de kachel gedaan. En ‘s ochtends was de kachel nog aan en werden er weer kolen op gedaan. Janus had een bakfiets en die mochten we van tijd tot tijd lenen om bij borstelfabriek van Vermunt (VERO) zaagsel te halen. Mijn vader had zaagsel nodig om hammen, spek en rookvlees te roken in zijn rookschouw. Daar maakten wij dan een plezierige middag van. Drie jongens op een bakfiets. Van mijn vader kregen we altijd de raad mee om goed uit te kijken. Ook goede raad van de eigenaar van de bakfiets, maar die dacht alleen maar aan hetgene wat hij uitleende, volgens mij.
Verderop “Jamin”. De snoepwinkel van de familie Peeters. Iedereen moest daar meehelpen. Van groot tot klein, nou en het waren er me wat hoor, acht kinderen in totaal. Piet Peeters, de vader, kon heel mooi vertellen. Het leek wel echt te zijn. Zijn ogen straalden, wanneer hij in de gaten kreeg dat je hem geloofde. Het was een stroper en een grote fantast met zijn verzonnen verhalen. Voor de gein kwam hij wel eens met zijn jachtgeweer naar buiten, en schoot dan zomaar in de lucht. Maar veel moeders dachten daar toch anders over. Dat merkte ik wel wanneer ik thuis iets vertelde. Maar, ach je bent jong en we rommelden maar wat aan.
Cor Danen, de aannemer-rentenier. Hij was ook de man die het Maria-altaar in de H. Hartkerk vervaardigde. In totaal 100.000 steentjes. Bij hem konden we ook terecht voor kalk en cement. Kalk werd gebruikt om het varkenshok achter ons huis zo’n twee keer per jaar te witten. Cor Danen had altijd een sigaret in de mond en liep op zijn pantoffels. Ik ken hem niet anders.
Tot slot aan het eind van de Gastelseweg autobusbedrijf Hoefnagels. Tot voor kort gevestigd in de Spoorstraat. Heden ten dage op de Borchwerf. Uitgegroeid tot een Europees touringcar- en taxivervoerbedrijf. En ook de enige benzinepomp bij ons in de buurt. Immers er waren haast geen auto’s.

Terug naar de H. Hartkerk. Bij ons in de kerk zaten de mannen links en de vrouwen rechts. Maar in alle andere kerken in Roosendaal was het net andersom, de mannen rechts en de vrouwen links in de banken. Echt iets voor Kasdonk. Pastoor Konings lag tijdens zijn preek altijd met zijn armen op de preekstoel, alsof hij heel moe was. Ook had hij een hekel aan leerlingen uit de 6e klas lagere school. Die voelden zich al wat groter en zaten zover mogelijk achterin de kerk. Praten en giechelen en naar de meisjes kijken. Dat kon hij niet hebben natuurlijk. Soms kwam hij naar achter gelopen en joeg ons dan naar voren.
Pastoor Smit heeft die praktijken kennelijk later van hem overgenomen. Maar die riep vanaf de preekstoel: “Moet ik jullie komen halen, of komen jullie zelf”.
Het lof in de Meimaand was niet zo leuk als het Oktoberlof. In Oktober was het namelijk eerder donker en spannender. Ondanks dat we vlak bij de kerk woonden, duurde het heel lang eer we thuis waren. En niet te vergeten de Meimaand. Ik noem het nog steeds Kapellekensmaand. Iedere dag te voet naar de Kapelberg om te bidden en natuurlijk plezier te maken onderweg.

Niet te vergeten “Kasdonkse Kermis”. Op maandag 2e Paasdag begon de kermis pas, omdat 1e Paasdag een kerkelijke feestdag was. Tot donderdag duurde deze kermis. ’s Ochtends heel vroeg ging ik met vrienden, niet te veel natuurlijk, geld zoeken onder kermisattracties. In de haast lieten de mensen die aan de kassa betaalden wel eens geld vallen. Dat was dan voor ons. Bekend was het gezegde “Kasdonkse Kermis, Koekskes mee zand”. De kermis stond op een stuk zandgrond zodat bij droogte het zand hoog opwaaide. Dikwijls was het op Goede Vrijdag in de namiddag slecht weer, vooral om 15.00 uur. Volgens onze diepe roomse kerkgedachten stierf Jezus op dat tijdstip aan het kruis. Het kon dan donker worden, zonder regen maar wel veel wind. En we gingen dan tegen 15.00 uur naar de H. Hartkerk om de kruisweg te bidden. De kerk zat dan bomvol met gelovigen.

In 1948 ontstond de Kroningswijk, en even later bouwde Philips er een grote fabriek, waar honderden mensen uit de wijde omtrek werk vonden. De meesten kwamen op de fiets uit Rucphen, Fijnaart, Willemstad, Dinteloord, Sint Willibrord, Oudenbosch, Zegge enzovoort.

Kasdonk had ook een eigen harmonie, die voor elk wissewasje erop uittrok. Mooi om te zien wanneer ze vertrokken, maar bij terugkomst niet om aan te horen of te zien. Weer vanwege het overtollig bier- en drankgebruik. Onze moeders hadden niet graag dat we, zo’n ongeregeld zootje zagen lopen, maar voor ons leuk om te zien. De naam van de harmonie was Margriet en er zaten veel “grootheden” in. Hoogte punt was het feest van Piet Bartelen. Hij werd toen 100 jaar. Lang tevoren en daarna werd er gefeest door de harmonie, familie en Kasdonkers. Heel de Gastelseweg was prachtig en groots versierd met slingers, ballonnen en linten.

Op het veld voor de H. Hartkerk hebben we gevoetbald na vier uur, uit school komend tot het donker werd. Wij voetbalden toen met Theo Lazeroms. Hij werd later een bekende nationale en internationale voetballer. Eerst begonnen bij RBC en rond zijn 20e jaar bij Feyenoord, NAC, een paar clubs in Turkije en als trainer in de Ver. Arab. Emiraten. Theo, De Tank. Ieder op zijn beurt moest een bal meebrengen. Dat was een wet. Maar we hebben nog gevoetbald met een zelfgemaakte bal van papier en oude bullen. Voetbalschoenen werden bekeken alsof het diamanten waren, wanneer iemand die kreeg met zijn verjaardag of communie, evenals een lederen bal.

Wegwijzers of ANWB bestonden toen nog niet. Was ook niet nodig. De Bredaseweg ging naar Breda, en de Gastelseweg naar Gastel en naar “Roosendaal”. Ja, het was een raar volkje, die Kasdonkers. Maar de H. Hartkerk bleef het middelpunt met onze pastoor Konings, zijn kapelaans en de zusters van de Heilig Hartschool. Jongens zaten op de St. Georgeschool en de meisjes zaten op de Heilig Hartschool. De St. Georgeschool is vernoemd naar pastoor George Konings, “Ons Pastoorke”.

Vaste klant was scharenslijper Peer Kas. Een stroper en zwerver zonder vaste woonplaats. Met zijn kar ging hij de boeren af om messen te slijpen en wat eten en drinken te vergaren. Bij ons thuis kreeg hij restjes vleeswaar mee uit de slagerij. Na een paar bakken koffie was Peer weer weg. “God zal oe lonen”, zei hij ten afscheid. Hij sliep bij boeren in de stal tijdens de winter en in de zomer buiten. Het kon allemaal. Het moeilijkst waren voor hem de laatste jaren in “Huize Charitas”. Hij voelde er zich een gevangene. Het moest, want hij werd half bevroren aan getroffen op de Nieuwenberg. Wie deed het goed?

De H. Hartkerk met zijn tuin, waarin appels, peren en perziken door ons werden “geplukt” voor eigen gebruik. Iets wat Meneer Pastoor helemaal niet leuk vond. We klommen langs de regenpijp omhoog, via de dakgoot, over de nok van de zijbeuk, over het middenschip om dan aan de andere kant in de goot gaan liggen, zodat hij ons niet kon zien tijdens het brevieren in de pastorietuin. Ik vertel dit alles in de vorm van we en wij, want niemand ging alleen op pad om te “stropen”.

Ik noem nog enkele namen van jongens van mijn leeftijd en waarmee ik speelde op straat: Leo Heirbaut, Dre Heeren, Rinus Heeren, Rini en Toon de Veth, Tonny en Theo Buyk, Ad Byunsters, Ad en Geraar Claassens, Jos van Aart, Theo Lazeroms, mijn broers Toon en Piet Sep, Jan Antens, Cor Klaassen, Gerard Klaasen, Ger Moesker, Kees Buysen, Piet Buyk en nog velen uit onze schoolklassen van de lagere school. Kortom, ik zat nooit zonder een helper of vriend. Vooral ’s avonds onder de gaslantaarns op straat was het spannend. Totdat onze moeders ons binnen riepen en dat ging ook niet één, twee, drie natuurlijk.
Het was altijd nodig om ‘s avonds gewassen te worden in de teil met water en daarbij gebruikte ons moeder een borstel en groene zeep voor de knieën, ellenbogen en handen. Drie jongens in een halfvolle teil met lauw water wassen, nou dan moet je niet zo nauw kijken. Meteen daarna kwam de lepel met levertraan. Ik proef het nog. Maar het bleek nodig te zijn voor kinderen in de groei. “Ogen dicht en slikken”, zei ons moeder dan. Nooit miste de lepel ons keelgat. Daar had ze natuurlijk geen tijd voor.

Nog zo iets moois. Wanneer kapelaan Lanen op zondag het lof moest doen en RBC een voetbalwedstrijd thuis moest spelen, duurde het lof niet lang. Immers de kapelaan was geestelijk adviseur van RBC. De man wou geen wedstrijd missen, en wij ook niet. RBC, de Kasdonkse voetbalclub, die begonnen te voetballen op de velden van Boerke Scheepers. Eerst de koeien uit de wei, vlaaien opruimen en dan voetballen. Daarna werd het Red Bandsportpark door RBC gehuurd. Toen kwam de grote doorbraak. Sportpark “De Luyten”. Ook daar heb ik nog mogen voetballen, want elke Kasdonker was lid van RBC.

Kasdonk had ook een toneelvereniging, D.O.V.O. (Door Onderlinge Vrienden Opgericht). Toneel, film en cabaret in samenwerking met de “Kroningswijk IX” hebben de Kasdonkers mooie avonden laten meemaken. Ja, er zat veel talent in de wijk, mede omdat alles financieel zelf opgelost moest worden. Immers subsidies en van sponsoring was geen sprake. De voorstellingen werden gegeven in zaal “De Meulentiend,, in de Spoorstraat recht tegenover het slachthuis. Eigenaar was toen Jan Claassens, bijgenaamd Jan de Paus. Ja zeker, een broer van Piet de Paus. Pausen genoeg in de wijk, maar geen één die men naar Rome wou sturen. Hier ging ik ook naar de noodkleuterschool. Hoe het kon, vraag het me niet.

Schoolmeester Luyks gaf ons op school muziekles. Hij speelde op zijn viool en wij met zo’n veertig jongens probeerden te zingen. De groep werd snel kleiner, omdat onze meester in velen helemaal niks zag zitten wat zingen betrof. We waren niet kapot te krijgen. Dan maar voetballen. Ook daar kwamen we onze meester weer tegen. Hij zat in het bestuur van RBC en probeerde daar “klanten” te winnen. Naast scheidsrechter, elftalleider, omroeper tijdens voetbalwedstrijden van het eerste elftal op zondagen, secretaris van de club was het ook een meester die goed les gaf en mooi kon vertellen. Vooral boeken van Puk en Muk, en Arendsoog met Witte Veder (de cowboy en de indiaan). Na schooltijd speelden we met stokken, speren, pijl en boog het na. Een dokter kwam er echter nooit aan te pas, ook ongelooflijk natuurlijk. Meester Luyks is jarenlang elke maand rond gegaan in de wijk om geld te verzamelen voor het kerkorgel.
En nu wordt het verkocht. Er hebben zich twee gegadigden voor aan gemeld. Enkele jaren geleden is schoolmeester Luyks gestorven. Hij moest het eens weten, de goede man.

Pastoor Konings, stichter en oprichter van de Heilig Hartkerk, 70 jaar geleden. Wanneer je te biechten ging bij hem, kreeg je te horen: “bid maar drie wees gegroetjes”. Steevast en bij iedereen. Daarom was het ook altijd zo druk bij zijn biechtstoel, waarin een vreselijke sigaren rook lucht hing. “Keesje, vertel het eens een jongen, wat ge allemaal gedaan hebt”, vroeg hij mij. Ter plekke verzon ik dan onzin, maar hij wou meer weten en horen uit mijn mond. Dan maar zwijgen en wachten op de penitentie. Drie wees gegroetjes.
Iedere maand kwam hij bij ons thuis op huis bezoek. Hij kreeg dan koffie met een sigaar. Naast de kachel gezeten in de winter, hadden ze geen kind aan hem. Mijn ouders moesten de woorden uit zijn mond trekken, want de man zei nooit veel. Tot slot gaven ze hem wat geld en hij vertrok weer naar de volgende parochiaan.

Verder nog hadden we op Kasdonk welgeteld acht cafés. Het grootste café met zaal werden gedreven door Stiena en Piet de Paus en vervolgens De Paape, Sjarel Schurings, Martien van Sitterd, Trieneke van Dorst, Toon Scheepers, Café van As, Café de Klerk.
Dus vanaf de Stoopstraat, Gastelseweg, eerste Schuiven tot even over de tweede Schuiven. Nu worden het de eerste en tweede spoorweg overgangen genoemd.
Bij Trieneke van Dorst leerde mijn vader mij, zo rond de leeftijd van 12 jaar, biljarten. Hij dronk dan licht bier en ik kreeg een limonade. Mijn vader legde twee centen op het biljart om het af te kopen. Zodoende wisten diegene die op dat moment speelden, dat wij de volgende zouden zijn.

Alles ging er gemoedelijk aan toe. Vooral onder mensen die een zaak hadden. Zij hadden elkaar nodig. En zoals Ger Moesker ooit vertelde: “wij vulden onze vrije tijd op straat met kattenkwaad”. Wanneer we op verboden terrein waren, werden we gewoon weggejaagd. Punt uit. Uiteraard vertelden we thuis logisch niks. Want dan kwam het tweede bedrijf. Wij waren rijk, want we hadden ruimte om te spelen. Een soort Dik Trom. Het politiebureau bood weleens gastvrijheid op woensdag of zaterdagmiddag om ons zondaars de kans te geven om de zonden te overdenken.
Hoewel ik de wijk al sinds 1967 verlaten heb, toch komen de herinneringen soms weer boven. De laatste jaren vindt er een geweldige cultuurverandering plaats. Overigens zoals op dit moment in de hele wereld. Wanneer men in de jaren ‘50 gezegd had, in het jaar 2000 wordt “Kasdonk” bewoond door veel kleurlingen, dan hadden we dat niet geloofd.
In 1948 kwamen er Molukkers en Ambonezen naar ons land. Velen van hen moesten hun land ontvluchten. Als KNIL-militairen kregen ze ontslag, en Nederland ving ze op. Voor “tijdelijk”, maar tot op heden ten dage doet de Nederlandse regering nog niets. Verlegen stonden zij te kijken op het schoolplein, de kinderen met een andere kleur, en wij nieuwsgierig. Maar al spoedig werden ze opgenomen in onze cultuur. Immers ze hadden een lange boottocht achter de rug en veel te vertellen. Met onze cultuur wist ook de rest van de wereld geen raad. Zonder televisie en een radio die maar af en toe zin had, moesten we toch onze informatie opdoen. Nog regelmatig zie ik wel eens een iemand van toentertijd. Een bekende Roosendaler was Jack de Nijs, alias Jack Jersey. Nationaal en internationaal bekend. Hij was ook van Indonesische afkomst. Helaas is hij overleden op veel te jonge leeftijd, 55 jaar oud (1941-1996).

Op het grasveld voor de kerk zijn we aan het vliegeren met eigen gemaakte vliegers. Het papier was van oude kranten. Trouwens met oude kranten konden we veel. Denk maar aan kampvuur en een voetbal maken van papier-maché, een kachel aanmaken etc. Het hout om vliegers te maken kwam van de gebroeders Haast. Zij hadden een aannemersbedrijf in de Jacob van Heemskerckstraat. Nou, ze hadden het druk met ons. Later begreep ik wel waarom.
Op het verkeersbord staat vermeld, dat men over ca. 200 meter een spoorwegovergang zou gaan passeren. De eerste Schuiven dus. Recht vooruit is de pastorie te zien. Duidelijk ook de haag rondom de kerk, waar binnen zich de pastorietuin bevond. In de tuin liepen de geestelijken bij goed weer te brevieren.
Linksonderaan de foto zijn nog de “Airey-woningen” te zien. Airey-woningen werden in 1946, net na de oorlog, gebouwd als noodwoningen. De bedoeling was dat het maar voor een paar jaar zou zijn. Echter 58 jaar later worden ze dan toch afgebroken en zo ontstaat er nu een nieuwe wijk. Ja, het is anders geworden in de wijk Kalsdonk (Kasdonk).

Reacties (4)

  • Ger Moesker

    Geplaatst op 04-12-2017

    Er is mäar een woord dat op het verhaal van Cees op toepassing is
    FANTASTISCH

  • Els Vos

    Geplaatst op 03-12-2017

    Hoi, Cees.

    Ik voeg of Noud Sep familie van je was, maar dat moet zijn LUC Sep.
    Ik vergiste me, Noud was een andere collega van mij in Eindhoven. ;)

    Groetjes,
    Els Vos (Doopnaamletters P.J.)

  • Ankie Rovers-Mouwen

    Geplaatst op 03-12-2017

    Hallo Cees
    Ik ben ook een oud Kasdonker .Heb er gewoond van 1953 tot 1977 Televisiestraat, hier was aan het eind het veld van de Kasdonkse kermis en ook de Telexstraat. ja was altijd leuk met Pasen.en daarna Telefoonstraat en 2 jaar tijdens mijn huwelijk boven kapper Bullens in de Philipslaan.Ja het leefde wel in de wijk he .al die namen en winkels komen zo weer binnen. Mijn vader zat op zondagmorgen duiven te wachten bij mijn opa in de Stoopstraat en dan werd de klok gebracht naar het cafe op de hoek Stoopstraat-Kalsdonksestraat. bij mijn weten zat daar toen Jos van Haperen in. En ook hadden ze daar een reisclub opgericht. Ik zat natuurlijk bij de nonnen.en toen we ouder werden stonden we altijd bij de poort van de kloostertuin te wachten .Dan mocht je schoolbel aan pakken en hem luiden. en gelijk keken we in de tuin .wat was die mooi in mijn ogen.Ja wij hadden alleen maar een balkon.
    En ook het te biechten gaan bij de pastoor. idd altijd hetzelfde hadden we gedaan en drie weesgegroetjes bidden wist je eigenlijk al van te voren. Theo Lazeroms was bevriend met mijn oom .Hij was een van de gebroeders Cadot van de Gastelseweg naast de fam. Hoefnagels.
    Wat is er dan nu veel veranderd.er zijn in de televisiestraat nog een paar huizen van die tijd in het midden.waar ik woonde hoek Telegraafstraat Televisiestraat is nu geloof ik een fietspad.tsjonge wat konden we toen nog gewoon spelletjes doen midden op straat en rolschaatsen en verstoppertje(wegkruipertje, zeiden wij)spelen of met een blikje gooien op de put buut zeggen en dan maar zoeken.schipper mag ik overvaren.binnenspelen was er niet bij in die tijd.

  • P.J. Vos

    Geplaatst op 03-12-2017

    Goh, Cees,
    wat kan jij boeiend vertellen !
    Het leest als een jongensboek, zoals Dik Trom en Pietje Bell. Hartstikke leuk en interessant !
    Ik heb zelf alleen op de kleuterschool van de H.Hart gezeten. Daarna verhuisden we naar de Prof. Aalbersestraat in de nieuwe Fatimawijk. Jack de Nijs en familie hebben wij goed gekend, die woonden ongeveer 7 huizen bij ons vandaan in de Mgr. Hopmansstraat. Wij hadden een buurtkruidenierszaak en daar kwamen ze ook wel eens. Aardige famlie.
    Een pas overleden broer van mij was bevriend met Jack die hem een paar accoorden op de gitaar leerde spelen.
    Ben jij trouwens familie van Noud Sep van "de Kaai" die op het ontvangkantoor Invoerrechten, accijnzen en motorrijtuigenbelasting op het station gewerkt heeft ? Dat is een oud-collega van mij geweest. Ik zou graag willen weten hoe het met hem gegaan is. Woon zelf al bijna 47 jaar niet meer in Roosendaal,.Wil je hem de groeten van mij doen als je contact met hem hebt ?
    Ga zo door met schrijven en maak er eventueel een boek of verhalenbundel van ! :)
    Hartelijke groeten,
    Els Vos.

Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie