T T

Opa Piet Van Eekelen en Opoe Lies Theunis van de “De Brembos“

Publicatiedatum 22-06-2017

“Aaroem, Tiekoem, Juu péérd, Allee, Vort en Hoóó mar!” Het waren voor het werkpaard van mijn Opa ‘gedragsregels’ die hij gedwee opvolgde. Soms werd het wat bitsig, maar soms ook aardig gezegd en gevraagd. Het lag maar net aan de gemoedstoestand van de voerman, Opa Piet, op die momenten. Doch baas en paard kenden elkaars streken. Ze verstonden elkaar! Het paard was een Belgische werker. Zo ene uit het sterke geslacht om werktuigen op het platteland, bossen en mijnbouw te trekken. In de Belgische Ardennen worden ze nu nog gebruikt om bomen die omgehakt zijn uit het bos te slepen. Wanneer ze het bos niet in kunnen met auto’s en tractoren, zijn deze paarden hard nodig voor vervoer. Ook bij het wijngaard omploegen in Frankrijk en Italië. Een krachtpatser die in zijn element was om dit te mogen doen. Een dikke kont en wanneer hij moesten trekken, een bonk spierbundels. Onze Opa heeft er mee gewerkt op ‘Den Brembos’ En een “Belze werker” vindt het nu eenmaal fijn om zijn krachten te geven en te tonen.

Opa Piet van Eekelen, ook wel Peerke Brem genoemd, woonde op de Brembos en had daar een boerderij. Onze Opa zijn weilanden en akkers lagen overal, her en der verspreid in eigendom en pacht. Van verkaveling was toen der tijd nog weinig sprake. Iedereen kwam het met elkaar gewoon goed overeen. Dat een boer over de ander ‘zijn grond’ reed om zijn veld of akker te bereiken en te bewerken was heel normaal. Het werd gevraagd en goed bevonden. Vast tarief was 11 november! Sint Maarten, ik herinner me het nog heel goed! Op die dag, “Siente Méirten”, ging hij namelijk zijn pachtgeld betalen bij diegene waar hij dat jaar grond van in pacht had. Tegelijkertijd maakten ze dan weer een afspraak voor het jaar dat komen ging. Veelal mondeling werden die afspraken gemaakt in goed vertrouwen, wederzijds. Zo ging dat in de jaren vijftig nou eenmaal.

De boerderij stond schuin tegenover het café ‘de Brembos’ aan de Rietgoorsestraat in (kerkelijk) Wouw en (gemeentelijk) Roosendaal en Nispen en recht tegenover de Zwanenburgstraat. Opa had een veld aan de Rietgoorsestraat, in de Zwanenburgstraat, en natuurlijk bij de boerderij. Onze Opa was een goede boer, secuur en zeer vakkundig onkruid wiedend en ploegend lag zijn werk er keurig en strak bij. “Dat moest zo” zei hij altijd! En hij noemde dan namen van boeren die slordig waren zowel op de akkers en velden als op de boerderij. Toen hij vier jaar was overleed zijn vader aan meningitus, op 04-08-1889. Zijn vader mocht slechts 32 jaar worden. Het was hard labeur, moeder bleef achter met vijf kinderen. De jongste uit het gezin, Maria-Cornelia werd geboren op 19-08-1889. Toen was haar vader net overleden. Zodoende moest Opa al vroeg geld gaan verdienen. Op 10-jarige leeftijd werd hij koeherder in vaste dienst bij een Herenboer. Van tevoren hoedde hij na schooltijd en zondagen de koeien. Opa noemde het zelf “koewachter”.
De weiden, waarop de koeien graasden, waren niet afgepaald. En om de koeien bij elkaar te houden was er een herder nodig. Ook dat deed hij heel secuur, zo begreep ik uit zijn verhalen. En het zuur verdiende geld was zeer welkom in het jonge arme gezin. ‘s Ochtends kreeg hij van zijn moeder een knapzak brood mee en een fles koude koffie. En daar moest hij het een hele dag mee doen. Had hij verder kunnen en mogen leren, dan had zijn leven er zeker anders uit gezien! Zijn interesse ging vooral uit naar de natuur. Wanneer hij ergens een boek zag liggen wat hem interesseerde begon hij vragen te stellen. Zo een bijvoorbeeld. “Kunnen ze ooit naar de maan? En hoe komen ze dan terug op aarde”? Ja, zulke vragen kon ik destijds ook niet beantwoorden. Dat was wat voor die tijd hoor!
Ook op aardrijkskundig gebied was hij nieuwsgierig en wou hij weten waar dit en dat land lag en de weersklimaten, enz.

Suikerbieten steken en hakken gebeurde zo rond begin september. Dat was allemaal handwerk, en wanneer ik nu zo’n veld met suikerbieten voorbij ga denk ik; allemachtig wat een zware arbeid vroeger. Tegenwoordig gebeurt het met machines en andere zware voertuigen. In het najaar mocht ik wel eens mee helpen met suikerbieten hakken. Voor de suikerfabriek in Roosendaal. Met een pee spa werden de bieten een voor een uit de grond gehaald en op rij gelegd. Daarna moest het loof gescheiden worden van de bieten. Afkappen noemde men dat. En dan de bieten op de kar gooien tot hij vol was. Een zware klus voor de boer. Rustig, soms slapend, stond het paard te wachten tot de kar was volgeladen. De hoeven van het paard gooiden kluiten modder en zand in het rond. Vooral wanneer het veel geregend had was het geen pretje. De wielen van de kar stonden dikwijls tot bijna aan de as in de modder. Bezweet en dampend van de zware arbeid kwam het paard aan op de boerderij, waar hij weer kon rusten. Enorm wat een kracht dat dier had.
Opa gooide dan een paar juten zakken over de rug van het paard om het zweet op te vangen. En om te zorgen dat het dier geen kou had. Want hij was zuinig op zijn trouwe werk hulp hoor!
Direct hierna moest er geploegd worden. Opa liep achter de handploeg over de akker, mooie, kaarsrechte blinkende voren achterlatend. En het paard trok de ploeg zwaar en gedwee door de grond. Kort hierna werd dan de wintertarwe ingezaaid, wat goed onder de grond gestopt moest, anders waren de vogels ermee weg.

Voordat Opa Piet echter naar de boerderij terug ging zette hij nog gauw een “stropke”. Dat was een ijzerdraadje met een lus. En dat werd op de loop en ren richting van een haas of konijn zijn pad geplaatst. Opa kende dat paadje, maar ik zag het niet. Als Opa geluk had, en een konijn of haas de pech, zat er de anderen dag een maaltje in. Daar was hij ook handig in, de natuurmens.

En in diezelfde periode, in de maanden september, oktober, mocht ik mee “tollekes plukken”.
Die dingen kon men zo van het veld eten. Het zand er wat af, even opwrijven en lekker opeten. In juli en augustus mocht ik mee helpen met hooien. Met een riek werd het hooi verzameld en op de boerenkar gegooid. En op de boerderij werd het opgeslagen in een hooimijt of hooischuur als voer voor de winterdag. Het fijne stof van het hooi drong door tot in neus, oren en keel. Bij het dorsen van het graan werd het stro opgebonden tot ‘bussels’. “Ne bussel strooi”! Touw werd daarvoor niet gebruikt, maar een aantal pijlen stro diende als bindmiddel. Het stro moest zo droog mogelijk opgeslagen worden.

In de winter moest de koestal regelmatig uitgemest en ververst worden. Ik herinner me nog dat het buiten koud was, maar in de stal was het dan lekker warm. Vanwege de lichaamswarmte die de koeien afgaven. Elke dag moesten deze koeien met de hand gemolken worden. Wat nogal eens problemen opleverde wanneer degene, die aan de beurt was om te melken, iets anders van plan was om te gaan doen. En op tijd thuis zijn, want om 16.00 uur was het melktijd, feest of geen feest of wat dan ook. Eerst werd de melk opvangen in een melkemmer, en daarna overgegoten in de melkbussen. Op de opening van de melkbus kwam een propere doek te liggen om de melk te ziften. Het zou wel eens kunnen gebeuren dat er ‘andere’ dingen dan melk in de emmer terecht kwamen. Ik herinner me wel dat ze wat hygiëne betrof heel secuur in waren. Maar ze kregen begeleiding en advisering vanuit de melkfabriek “Het Anker” te Roosendaal. Zowel in de, soms, warme zomer als in de koude winter, werden ze begeleid.

Tegen de avond kwam een man met een vrachtwagen, van de melkfabriek uit Roosendaal, de volle melkbussen ophalen. Dat was ook een zware arbeid. De lege, van de dag tevoren, bracht hij weer mee terug. Elke boer had zijn eigen nummer op de melkbussen staan om ze uit elkaar te houden. Soms waren het melkbussen met geverfde cijfers, maar ook wel cijfers van koper gemaakt. Op deze manier kreeg elke boer zijn eigen melkbussen terug. Maar die moesten dan ook weer schoongemaakt worden. Ondersteboven werden ze na het schoonmaken buiten in een melkbusrek gezet om te drogen, en er tevens voor te zorgen dat er geen vuil in kwam! Op sommige oude boerderijen is er nog wel eens zo’n rek te zien. Nu dient het echter meer om planten op te zetten of gewoon voor de sier, evenals de melkbussen.
De regelmatige verkoop van vee en melk waren de grootste bron van inkomen in die jaren vijftig. Van subsidie of enige andere geldelijke steun was geen sprake. Alles draaide op eigen houtje!

En in de stal was Opa zijn gereedschap aan het verzorgen. Immers in de winterse dagen kon hij toch niet op het veld of akker komen. En dan maar zorgen, dat het gebruiksklaar was voor het voorjaar. Op zijn schouder zat een brutale zwarte kraai die hij gevangen en tam gemaakt had. Vinnig, met diep zwarte kraaloogjes en glanzende veren pracht, keek het mooie dier in het rond. Die kraai mocht in voorjaar weer de vrijheid tegemoet zien. Zodra iemand de stal binnenkwam begon hij hard te krijsen.

Mijn Opa maakte van een tak, meegebracht uit het bos, een wandelstok. Het mooiste daaraan was dat aan de handgreep een paardenkopje was gesneden. Met zijn zakmes sneed hij zorgvuldig en kunstig de beeltenis uit. Want een zakmes had hij altijd bij zich, trouwens wij als jongeling vroeger ook! Hij maakte ook zelf zijn eigen bezems van twijgen en takken. De eerste keer, toen ik mee hielp om takken en twijgen te verzamelen, wist ik niet waar het voor diende. Maar het resultaat liet zich zien, eigen gemaakte bezems voor eigen gebruik in huis en de stallen. Op het erf stond een regenput, zo’n diepe betonnen ronde put.Een half houten deksel lag op de opening. Daarop lag een lange houten steel met puthaak, waaraan men de emmer kon doen om water te putten. Als kind stonden we in de put roepen en gevaarlijk te doen. Maar aan gevaar werd toen niet zo gedacht. In de keuken van het huis hing bij de pompbak (aanrecht) de zwengel om water te zwengelen. Dat ding piepte en kreunde van jewelste. Het water moest altijd eerst gekookt worden voor men er thee of koffie van ging zetten. Ik bleef er altijd maar een rare smaak van over houden.

Ik herinner me nog heel dat een van mijn neven sigaretten ging roken. Hij was drie jaar ouder dan ik. Op het erf liep hij dan parmantig te paffen, groot als hij zich voelde. Maar onze Opa liep op het erf achter ons aan, en hield het hele spul goed in de gaten. Want Opa was bang voor brand en dat zijn hooischelf in de fik kwam te staan, zo niet meer! De mensen hadden al een brand meegemaakt, waardoor het woonhuis helemaal werd verwoest in de oorlog. Na de oorlog hebben ze nog jaren lang in een woonbarak moeten leven.

Zo kwamen de boeren vroeger de winterdag door. Creatief, en vooruitwerkend weer voor het voorjaar, altijd bezig zijnde. Opoe Lies zat in de keuken aan tafel, schilde de aardappelen, breidde of stopte sokken en andere kledingstukken en deed op tijd haar dutje. Vanwege de reuma deed ze veelal zittend werk. Zij verzorgde het middag en avond eten, zette thee of koffie. Enfin, alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden, die ze kon doen, ging ze niet uit de weg. Wanneer er eieren teveel waren, kwam een venter (een burgerman uit Roosendaal, zei Opoe altijd) de eieren ‘opkopen’. Die deed hij dan in een grote mand en deze werd voorop zijn fiets, op de bagagedrager gezet. De venter verkocht ze dan aan de burgers in de stad Roosendaal. De eieren waren door Opoe allemaal stuk voor stuk verpakt in krantenpapier om breuk te voorkomen. Ik mocht wel eens meehelpen, en kreeg als beloning dan een dubbeltje (10 cent). En dat was heel wat voor die tijd!

Eens in de zoveel weken kwam er een man “uit de stad” (Roosendaal) die Opoe Lies haar brei, naai, kleding en linnengoed, indien nodig, kwam aanvullen. Opoe ging nooit van de boerderij weg, ze was altijd thuis. Wat nodig was in het huishouden werd thuisbezorgd, zoals door de kruidenier bijvoorbeeld. Hij nam de bestelling op, schreef het in een boekje, en bracht het bestelde enkele dagen later thuis. Alleen zondags verliet ze de woonstee, want dan ging ze naar de kerk in het dorp Nispen. Vrijdags, in de namiddag, bracht ik op de fiets rijdend vanaf de Gastelseweg na schooltijd, een vleesbestelling naar Opoe. Met goed en slecht weer! Mijn Belgische neven en nichten noemden onze Opoe; MoeMoe of Bomma en Opa; VaVa of Bompa.

‘s Zondags gingen ze met paard en gerij naar de kerk in Nispen. Ik noemde het “meej ut koetske”. En dat was een heel gedoe hoor. De zondagse kleren werden tevoorschijn gehaald, het vestzak horloge werd opgewonden en opgepoetst en de zondagse pet opgezet. Een paar keer heb ik mee mogen rijden. Het paard moest geborsteld en geboend worden, de hoeven werden zwart gemaakt. Het koper op het gareel moest blinken. In de winterdag moesten de olielantaarns aan wanneer het nog donker was. Het paard kreeg de “zondagse oogkleppen” op. Met initialen in gepoetste koperen letters, P v E. (Piet van Eekelen). En Opoe Lies moest met een deken over haar benen in het gerij gehesen worden. En dan over de kasseien van de Bergsebaan hobbelend naar de H.Maria Hemelvaart kerk in Nispen. Ja, we waren zo nog maar niet weg hoor. Na de Heilige Mis werd op het kerkplein of in het café onderling verteld wat men zo de hele week had meegemaakt. En wat de prijzen van vee, melk enz. “uit gedaan hadden” en heel belangrijk, de komende weersverwachtingen voor die week. En geloof me, sommige boeren konden ‘ver’ vooruit kijken met het voorspellen van het weer. Dit alles gebeurde bij wat glazen bier en borrels, biljarten en kaartspelen. De mensen mochten toch wel wat hebben!

Op de boerderij werden behalve het paard en koeien ook kippen, varkens, twee honden en katten gehouden. En konijnen natuurlijk. Zij hadden allemaal een functie, ze dienden ergens voor! En een koppel tortel duiven die dienden als geneesmiddel tegen gordelroos. In een kooi, die boven de ingang van de stal naar de keuken hing, zouden de duiven de ziekte overnemen wanneer men er onder door liep. Geloof moesten ze hebben deze mensen waar bijna nooit een dokter over de vloer kwam. Wanneer er een dokter moest komen was het hard nodig ook.
De katten voor het vangen van muizen in de stallen. En muizen waren er maar genoeg. Een grote waakhond, die in een hok zich druk liep te maken, wanneer er ‘vreemd volk’ het erf op kwam. En een klein hondje dat als slimme huis hond, vrij rond mocht lopen! En dan de kippen voor de eieren. En wanneer die geen eieren meer legden, kwamen ze op tafel terecht. Ook uiteindelijk de konijnen natuurlijk. Blikvoer of droog voer voor de dieren kende men toen niet. Restafval van tafel of maiskolven, gras, meel en witte en rode klaver, voer peen enz.
In de moestuin, appels, peren, noten, tamme kastanjes, aardbeien en bessen struiken. Verder sla, aardappelen, en verschillende koolsoorten, uien enz. voor eigen gebruik, van alles wat.
De noten- en tamme kastanjebomen die staan er nog steeds!

En in de slachtmaand november werd een van de varkens geslacht. Het slachten gebeurde vooral in de winter om snel bederf te voorkomen. ’s Ochtends, al heel vroeg, kwam de loonslachter en tegen de avond kwam hij het varken ‘afsnijden’. Het varken werd op een leer (ladder) gelegd om te besterven. Dikwijls was het koud buiten en zodoende ‘stijfde’ het varken goed op. De leer werd dan rechtop buiten tegen de muur gezet. Zo komen we ook aan het gezegde “Wij hebben een geleerd varken”! Het trok zeker kijkers, de hele dag door. Ook om te zien of de beoordelingen, en schattingen uitkwamen die van tevoren gemaakt waren. Te vet of te mager, wat gewicht betreft te zwaar of te licht! Want de buren kwamen regelmatig kijken hoe het ging met de keuen tijdens hun leven.
Twee dagen lang was het druk op de boerderij. In de keuken begon men het vlees in te maken.
(wekken). Hammen en spek gingen de zoutkuip in. En er werd bloedworst, droge worst en zult gemaakt. En Opoe, weer onmisbaar, moest de weckpotten en sluitringen steriel maken en de grote wek ketel met thermometer. In het deksel van die ketel zat een gat waar de thermometer in moest. En zo kon men dan de temperatuur aflezen om te steriliseren. Na afkoeling werden de weckpotten voorzien van papiertje met daarop de inhoud en datum. En vervolgens zorgvuldig in de koele kelder netjes op rij gezet. Op deze manier konden ze, wat betreft etenswaar, de winter tegemoet zien.

Een grote doorbraak kwam er toen de Noord Brabantse Christelijke Boerenbond (N.C.B.) diepvries huizen ging bouwen op verschillende locaties in de provincie. De boeren konden in deze huizen een vrieskluis huren. De bewaarmethode voor de ‘buitenaf mensen’ werd een stuk gemakkelijker gemaakt. Vanaf die tijd kon men het hele jaar door slachten om zo de vlees en groenten voorraad op peil houden. “Diepvriesvers” zo zei men! In het begin van de jaren vijftig waren er immers haast geen diepvrieskisten, kasten of koelkasten op de boerderijen of voor particulier gebruik.
Vroeger werd alles in ‘eigen’ keuken bereid. En veel van mijn leeftijd genoten zijn het zeker met me eens dat lekker was, het eten op de boerderij. “In dieje goeie ouwe tijd”!

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie