T T

Het dubbeltje

Publicatiedatum 08-06-2017

Een jaar of acht, negen zal ik geweest zijn toen de geschiedenis van het dubbeltje een onuitwisbare indruk op me gemaakt heeft. Vroeger, dat is nu meer dan zestig jaar geleden, werden de rekeningen van kleermaker, timmerman, loodgieter, schilder enzovoort altijd in contanten betaald; er was immers nog geen giro of iets dergelijks. Het ging dan zo dat onze hulp voor dag en nacht op zaterdagavond die rekening of rekeningen mocht gaan betalen. Dat vond ze een fijne avond, want ze ontving dan gewoonlijk een gulle fooi. Deze was naar gelang de grootte van de rekening: twee kwartjes of een gulden, soms zelfs nog iets meer.
Op een zaterdagavond mocht ik met haar mee en toen ze ergens een flinke fooi kreeg, gaf ze aan mij een dubbeltje! Dat was wat voor me, want hoe royaal we het in alle opzichten hadden: ‘snoepcenten’ waren er niet bij. Natuurlijk drukte ze me op het hart thuis niets van dat dubbeltje te vertellen en dat deed ik dan ook niet. Ik deed iets veel dommers.

Op maandagmorgen kocht ik in het snoepwinkeltje wat ik dagelijks op weg naar school passeerde, voor dat hele dubbeltje tegelijk snoep en dat was een zak vol met dropveters, pindabrokken, toverballen enzovoort. Ik zie het winkeltje nog voor me met zijn glazen stopflessen vol heerlijkheden, de stukken drop en spek. Het rinkelende belletje, het kleine vrouwtje dat naar voren kwam sloffen, de smalle bruine toonbank. Ik ben het nooit vergeten en zou het, als ik tekentalent had, nog zo uit kunnen tekenen. Er waren veel vaste klanten voor een halve of een hele cent per dag, maar vermoedelijk was ik met mijn dubbeltje die dag toch wel de grootste klant. Ik had een tweed manteltje aan en propte met veel moeite die grote snoepzak in mijn mantelzak, ik liep er natuurlijk mee voor gek, maar daar dacht je als kind niet aan. Thuis gekomen hing ik mijn mantel aan de kapstok en ging eten. Na het eten moest ik me altijd aangekleed nog even laten zien voor ik naar school ging, en, stommeling die ik was, ik vergat de snoepzak eruit te halen.

‘Wat heb jij daar voor een dikte in je mantelzak?’ vroeg moeder verbaasd. ‘Dat is snoep’ zei ik geschrokken. ‘Snoep? Hoe kom je daaraan?’ Toen moest ik voor eigen welzijn Anna wel verraden en zei:’Ik heb zaterdagavond van Anna een dubbeltje gekregen.’ ‘Dat kan ik niet geloven, dat moet ik haar vragen,’ zei moeder, en ze drukte op het belletje naar de keuken, waarop Anna verscheen. ‘Heb jij Bepke zaterdagavond een dubbeltje gegeven?’
‘Nee, mevrouw,’ loog Anna, die wel in de gaten had dat er heel wat zou zwaaien als ze ‘Ja’ zei. Wat ik daarna ook zei: natuurlijk werd niet het snoepgrage kind geloofd, maar de trouwe gedienstige. Wat had ik een verdriet: niemand die me geloofde, en mijn snoep kwijt! Nog meer verdriet dan ik had mijn moeder. Daags daarna was ze ziek en lag op bed, ik geloof zeker dat het van zorg en ellende was. Had ik al niet eens een cent gestolen voor een ijsje? En wat moest er terecht komen van een kind dat zo jong al stal en loog? Dat het dubbeltje gestolen was zal voor haar wel zeker zijn geweest.
Mijn machteloosheid toen ik naast haar bed stond! Dat rotte dubbeltje!!! Mijn arme moeder heeft zich voor niets zorgen gemaakt. Ik ben geen dievegge geworden en mijn eerlijkheid is volgens de kinderen bijna abnormaal te noemen!

Foto: Twee dienstbodes. Collectie West-Brabants Archief.

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties
Reageer op dit verhaal
Captcha code
* = verplicht
Verstuur reactie